Die nacht had ik een tamelijk erotische droom. Ik weet niet meer wat er precies gebeurde, wat er zich aan beelden voordeed, maar het was allemaal nogal tamelijk erotisch en al. Ik hoopte vurig dat ik niet in mijn slaap had liggen kreunen en ik schaamde me al een beetje.
Toen ik wankel van de slaap uit bed stapte, deed iedereen echter normaal. Ik zou het zelf ook niet durven, een onbekende kamergenoot aanspreken op zijn of haar in de nacht vrijkomende zuchten van gedroomde lusten.
Ik trok snel wat kleren aan en liep naar de koelkast. Het flesje met mega-gezond-maar-duur-spul stond er nog. Het was Donderdag 26 Maart. Ik dronk het flesje in een paar teugen leeg terwijl ik de waterkoker in het stopcontact stak om heet water voor oploskoffie te maken.

Het regende zachtjes toen ik even later met een volle mok oploskoffie met ranzige melk voor een sigaret naar buiten stapte, op het kleine dakterasje van het hostel, nauw tussen de veel hogere gebouwen gepropt die nu echt de wolken aan het krabben waren. Het zou de hele dag blijven miezeren.
Binnen stelde de Australier voor om die avond wat te gaan drinken. Hij had nog steeds iets woests over zich. Ik fantaseerde dat hij een soort strijder uit tijden van knuppels en knotsen had kunnen zijn.
Do you like sports?
No, sorry. Do you like music.
No. Not really.
Well, what do you play then.
Rugby Union.
O yeah, right.
Vanaf dat moment bleef het een tijdje schuren tussen ons. Hij sprak onverstaanbaar, snel en nors, de Australiër, waardoor ik een beetje gemaakt en zelfs verwijfd vrolijk reageerde. Iets in me probeerde het geheel luchtig te houden. Misschien dacht hij dat ik een ballet-danser was. In iedergeval iets van een soort dat in zijn wereld normaliter verder weg leeft. Hij moest niets hebben van muziek en ik weet weinig van sport.
Voordat hij vertrok om te gaan sight-seen, spraken we af elkaar rond zes uur weer in het hostel te ontmoeten.
Ik hoefde niet lang te wachten of ook de andere mede-hostel-genoten hadden zich reeds enthousiast uit de voeten gemaakt om zich in de nieuwe dag te werpen. Twee hyper-jonge maar wonderschone meisjes uit Duitsland, die zich als een vrijwillige siameese-tweeling voortbewogen. Ik heb ze in iedergeval nooit apart van enlkaar gezien.
Glimlachend, met grote ogen en schuw als jonge herten in hun eerste lente.
Rond 10 uur had ik het rijk weer voor me alleen en kon ik rustig, lang en lekker heet douchen. Ik was bijna helemaal wakker, maakte nog een koffie en pakte nu de poedermelk van een bedrijf uit Zwitserland:
chemicalien uit het hooggebergte, komt geen hemelse Heidi aan te pas, in iedergeval was de melk die ontstond niet ranzig en ik schreef en verstuurde een stel emails.

Toen ik klaar was verliet ik het hostel, liep de 39ste uit, naar de 9de, om via een kleine omweg bij Bryant Park uit te komen. Onderweg kocht ik tandpasta en haarspul. Hoezeer ik ook m’n best doe, na een week ben ik nog steeds gewoon een toerist. In de winkels vindt ik nog niet mijn weg. Het bestellen van koffie gaat bij mij langzamer dan bij de zakenlui met weinig tijd. En altijd neem ik onhandig het vrije plaatsje in de metro waar mensen langs moeten tijdens het in- en uitstappen. Ik doe kortom alles wat ik bij toeristen in Amsterdam waarneem. Dat oriëntatieloze, onpraktische proberen mee te bewegen in de context van het leven dat niet het jouwe is…
Zelfs in een Europees-gesausde bistro aan Bryant-Park was ik de buitenstaander. Blijkbaar rook de bediening dat ik uit de streek kom waarop zij hun bistro zo wilden doen lijken. Ik kreeg daarbinnen allerhande Franse en Duitse zinnetjes naar m’n kop geslingerd.
Bon Apetit. Guten Tag. Ad infinitum.
Een soort chique-noblese waar ik werkelijk de ballen van snap. Het brood was Duits en degelijk, dus concentreerde ik me maar daarop. Na het verwarrend ge-heen-en-weer met de bediening kon ik m’n gepeperde check betalen en zocht het toilet. Ik kon alleen maar toilet-deuren vinden met afbeeldingen van androgyne wezens erop. Ik vervloekte de tent, verdwaalde en nam waarschijnlijk een van de dames-toiletten.
Sorry. Verkeerd verbonden. Nog een fijne dag.


Snel liep ik het opgepompte etablissement uit, stak straten over, raadpleegde mijn molenskine-boekje, liep door en kwam uiteindelijk bij het MoMa, nam de roltrap naar 3 en stuitte op Pollock.
Nog geen vier weken eerder had ik op BBC de biopic van de schilder gezien met Ed Harris in de titelrol. Het duurde even voordat ik de beelden van de film van m’n netvlies had geslagen en regelrecht in contact stond met de schilderijen zelf. Ik genoot van hun ritme, hun verfijnde agressie, hun leven en danste innerlijk feestelijk en wild mee.
In een andere ruimte kwam ik doeken van Rothko tegen. Ik ging heel dichtbij staan, zoals Rothko het ooit adviseerde, en voelde de vibraties van de kleuren tot diep in mijn ingewanden. Levende, physieke klanken. Ik kon wel janken.
De ruimte van Warhol negeerde ik expliciet en met geheven neus kwam ik bij ruimte van Beuys. Materialen om in naar binnen te kruipen, om dan mee te doen met de plastische gedachten teneinde het spul te vergeestelijken. Bij de installatieI like America and America likes me
stonden een stel behoorlijk bekoorlijke dames, als door een sprookje gefascineerd, te kijken. Het bankje voor het televisietoestel was bezet. Toen ik terug kwam was het bankje leeg en nam ik plaats. Niet veel later zag ik iets paars in mijn ooghoek bewegen. Een duidelijk antroposofisch uitziende vrouw nam naast me plaats.
Maar natuurlijk. Waar Joseph is daar zijn ook wij. We are around.
De vrouw werd gevolgd door een man die ook ging zitten. En zo zat ik in het aangename geurenpallet van de Zaailing. Het echtpaar praatte nederlands met elkaar. Misschien omdat ik een beetje moe was lukte het me niet een normale, een uit gezond boeren-verstand ontsproten zin te maken.
Komen jullie uit Nederland.
Nee. Excuses. Bedankt. We praten toevallig zo. Verder hebben we niets met het Koninkrijk van doen. Fijne dag nog. Oh ja en, doei.
Ze bleken op Bronlaak te wonen en te werken en hun kinderen bezochten mijn oude middelbare school. Kans van 1 op 8 miljoen. Ik weet het niet. Het zal wel. So it goes.web-moma


En het is toch nu,
zo rond middernacht bij u?
Misschien ben je nog wakker. Hier valt nu in iedergeval de vooravond met zachte sluiers regen over de stad. De mega vrouw in een van haar vele gewaden.
Net stond ik op het dakterras te roken en dacht eraan dat ik, meer nog dan een liefje, een goede vriend mis, om samen hier de boel mee op te schudden, and just hanging out as well, you know. En toen dacht ik eraan hoe leuk het wel niet zou wezen als jij hier zou zijn. Samen in de metro en zo. Lekker lachen. Lekker zuipen en ontspannen en zo. Ja toch? Of niet dan? Ok. Whatever.
Na mijn laatste bericht ben ik met die gast uit Australie de stad in gegaan. Ik was van plan om naar twee verschillende optredens van vrienden te gaan, beiden in East-village. De ene zou een latin-gig hebben en de andere speelde met haar meiden-rock-band in een of ander eet-cafe een paar straten verderop. De Australier en ik hadden honger, liepen door de drizzle over de natte straten, wilden wat eten en gingen dus eerst op zoek naar het Indisch restaurant dat de Australier op tv had gezien. Langzaam zogen onze schoenen het water van de straten op. Mijn voeten werden nat.
Must be around, zei hij.
You could see Times-square. Gordon Ramsey turned the thing into a fucking nice place man. It must be just here somewhere.
En we vonden het niet.
We did got pretty wet instead, and pretty annoyed too, by the traffic and by the people which screamed and drifted around us like drops of oil in polluted water. Everything turned somehow pretty aggressive and nasty and all, that night.
Uiteindelijk zagen we een Iers eet-cafe waar we maar naar binnen gingen. We bestelden bier, hamburgers en friet en hadden elkaar niet zoveel te melden. Terwijl hij met zijn mobieltje sms’jes aan ‘t versturen was keek ik naar de foto’s van Ierse schrijvers aan de wanden van het cafeetje. Joyce leek, zo in ’t zwart wit, door het simpele lijstje gevangen, waziger en verder weg dan ooit. De burger deed goed en we raakten een beetje in gesprek. Hij vertelde mij dat hij in de staal-industrie had gewerkt maar vanwegen de crisis was ontslagen. Daarna was hij een baantje in een ski-resort in Canada gaan zoeken, vond niets en was van zijn spaarcenten maar gaan reizen.
We bleken even oud. Hij was zich totaal aan het herorienteren, net als ik.
Wat wil je later worden; als je groot bent. Ik vroeg me af hoe die vraag in het Engels zou klinken, nam een slok van mijn Brooklyn-Lager en doopte mijn laatste patat in de rode vlek Heinz op mijn bord. Inmiddels was het te laat geworden voor meiden-rock en salsa-bop. Na het eten begaven de Australier en ik ons dus maar weer in de motregen, op zoek naar een gezellig barretje voor nog een drankje of twee. We mompelden en scholden tijdens het lopen mee met de rest van de wereld om ons heen. We kwamen weer op Times-square terecht waar inmiddels grote plassen water lagen. Het was er leger dan ik tot nu toe had gezien. Voor het Hollywood-cafe bleven we even staan schuilen onder een enorm stuk afdak. Een man schreeuwde routineus iets over happy hour. One beer, three dollar. Dat vond te Australier wel interessant, dus gingen we naar binnen. Als je depressief wilt worden, prozac wilt, of een stevige combinatie van die twee, dan moet je in het Hollywood-cafe aan het Times-Square. Mijn god, wat een troosteloze bedoeling. De muren, de hoeken, de tafels, de deurposten, alles hangt er vol met decor, props, prullaria, foto’s; allemaal gestorven, magieloze troep from the movies which we used to love and adore so much, the vehicles of our dreams, just turned into ashes, right there, in front of you.
Toen we binnen werden gelaten, nam ik het direct het rechts-omkeer-terug-naat-buiten-initiatief. Ik vertelde de Australier dat de Hollywood-vesteging in Amsterdam totaal failliet was.
Totaly broke.
Hij lachte.
At least we’ve got warm and kind of dry again, opperde ik. De Australier bleef als een Reuzen-kind, een uit de kluitengewassen peuter voor de film-excrementen staan gapen en ik moest hem een beetje mee naar buiten lokken.
Toen begon ik:
I know a place at 9th Avenue…
Uiteindelijk kwamen we in Rudy’s. De tent waar de vijf Duitsers en ik eerder waren gewijgerd. Althans, ik was weg gelopen omdat ik de arrogantie van de bouncer niet meer kon verdragen.
Nu was ik er weer, what goes, comes around. De lokale wetten van Karma en Newton.
De Australier en ik werden direct binnengelaten. Wederom: als je eens een serieus gesprek met je shrink wilt hebben, moet je hier je research doen. Believe me.
Er waren voornamelijk mannen in deze club. Wankele mannen. Mannen met ieder een eigen karaf Budweiser waarmee ze hun vettige bierglazen steeds weer hervulden. Achterin stonden een stel vrouwen, angstvallig aan hun zuipende vriendjes geplakt. Eigenlijk wankelde alles een beetje.
Wat doen we hier, dacht ik, en keek naar buiten.
Een bus reed langs en door de ramen van het cafe zag ik een man in de bus zitten. De bus was voor het raam gestopt. Door de ramen van de bus en van het cafe keek de man terug. Hij had een witte baard en droeg een bril en keek heel rustig. We zaten in totaal verschillende werelden en toch keken wij elkaar aan en begrepen het moment.
De Australier hield een biertje voor m’n neus, we proostten en vonden een plaatsje achterin. Hij vertelde mij over zijn Amerika reis. Over Los Angeles, Hollywood, San Diego, San Fransico. In Hollywood was hij met een meisje naar bed geweest, vertelde hij, dat hem nu de hele tijd aan het sms’n was.
And, do you reply. Wilde ik weten.
Yes of course.
Well, how frequent.
Metallica stond aan, iets van het Black Album, het beukte over onze hoofden en liet de glazen in onze handen trillen. Buiten loeiden sirenes in andere toonsoorten mee.
Well, every other day. He replied.
So you call this every other day, vroeg ik hem terwijk ik zo duidelijk mogelijk naar zijn mobieltje wees. Hij probeerde vanalles uit te leggen, maar ik vroeg al naar de liefde.
Are you in love.
Hoe ik de klemptoon op ‘in’ legde, maakte dat ik als een zwarte priester klonk.
In Love.
Hij ontweek het hele in-love-gebeuren en ik begon over mijn liefde. Nee, nee, gewoon Liefde, zonder mijn. Ik voel het, maar ik hoef niets. De Liefde is willoos nu. Je bent ver weg, dichtbij, verwarrend. Ik weet het niet. Ik weet niet wat verliefdheid is. Wat het betekend om verliefd te zijn. De wereld is zo groot, met haar afstanden, haar dagen en nachten, haar mensen en al hun complexe individuele verhalen, en dat allemaal tegelijk. Zoiets.
We begrepen elkaar, moesten voor het eerst echt lachen en bestelden nog een bier.
Het werd gezellig en we spraken verder, terwijl ieder voor zich voortdurend de juiste woorden zocht. En het bleef gezellig, toen we later die nacht naar huis liepen, bij pizza-punten voor 99 cent even bleven kijken en ook toen ik maar liefst 9 box voor twee flessen juice kon betalen.
In het hostel ging hij snel naar bed en bleef ik nog even op om te kunnen schrijven. De chineese hostel eigenaar keek Con-Air op zijn lap-top. Het volume leek voor oost-indische dovemans-oren te zijn afgesteld en ik probeerde me niet al te veel te irriteren aan het heroisch gezeur van Nicolas Cage. Iedere minuut schraapte de hostel-eigenaar uit alle macht zijn keel, alsof hij het eten van de dag herhaaldelijk wilde herkauwen. De Siameese Duitsers sliepen al en de twee jongens uit San Diego zaten achter de computer en keken een beetje bedroefd.
En waar zit ik, vroeg ik mezelf af, toen ik begon met schrijven.
Ik had zin in een laatste sigaret, deed weer m’n schoenen aan en ging naar buiten, stapte op het terasje, daar waar mijn dag begonnen was en het duister ontspande mijn ogen.