essay-deel-1887/1979

In Maart 1887 verlaat Debussy Rome, sluit daarmee definitief een tijd af van het leven onder de bescherming van een instituut:
“Nu vraag ik mij af, hoe ik met mijn overdreven wildheid ergens terecht kan komen, en hoe ik mijn weg zal moeten gaan vinden midden in deze ‘bazaar van het succes’, en ik voorvoel moeilijkheden en talloze wrijvingen” 7)
In 1979 sluit Vivier het werk af aan de tweedelige opera Kopernikus. Naast personages als Kopernikus zelf, zijn moeder en Mozart, de Koningin van de Nacht en Merlijn treden ook Tristan en Isolde in dit stuk naar voren. Uit alles blijkt dat tijd en plaats van de opera zijn opgeheven en dat het stuk zich in een transcendente wereld, zich in het rijk van de dood afspeelt. En hier verschijnt weer het belang van een ‘Unendliche Melodie’, in dit vorm
van soort entiteit:
“une mélodie sera ton guide (…) bienvenue au pays magique … au pays de Wagner hé o la mélodie de la mort t’envahira trés lentement…” 11)
Over het stuk maakt Vivier zelf onder meer de volgende aantekeningen:
“Kopernikus ontleent zijn poëtica aan de sterke gevoeligheid van de componist, aan hoe hij zich verhoudt tot zijn kinderjaren en ook aan de verschillende niveaus waarop deze uiteenlopende droom-elementen aan elkaar worden gekoppeld”
waarmee hij wederom op het belang van de gevoeligheid en de kwetsbaarheid komt van het werk maar vooral van diens maker:
“ik wilde juist helemaal niet dat aan de basis van Kopernikus een conflict lag. In die zin begon voor mij … de ontdekking naar een bepaalde sensibiliteit … “

You are welcome, to leave something too / Fühlen Sie sich eingeladen, ebenfalls etwas zu hinterlassen / Voelt u zich vrij ook iets achter te laten