“ik zit op de bank in de woonkamer.
lang kijk ik naar nietszeggende middag-programma’s op de televisie.
ik zet de tv uit en blijf zitten.
er gebeurt iets.
er gebeurt iets met mijn oren.
de luchtdruk buiten lijkt plots drastisch te veranderen.
mijn trommelvliezen klikken overduidelijk om binnen- en buitendruk gelijk te stellen.
ik realizeer me dat de druk buiten wel heel snel verandert is.
als of een vliegtuig veel te snel moet landen, zo voelde het aan mijn hoofd…
dan zie ik beelden:
een meters hoge en brede muur van kolkend, vies-grijs water raast vanuit het westen het land in,
stroomopwaarts, recht tegen de waal in en kilometers per seconde.
de afschuwelijke water-muur nadert het leven, dood-snel.
de luchtdruk lijkt nogmaals te veranderen.
met moeite klik ik mijn oren, nu door te gapen.
in mijn beelden-storm is de wal van water, de woedende vloedgolf niet meer ver van waar ik zit.
afgrijzen jegens mijn beelden.
in een huivering sluit ik mijn ogen.
het voelt koud.
ik maak mijn geest helemaal leeg in afwachting van de grote, nietsontziende dreun, een klap tegen mijn ruggegraat, op mijn nek, tegen het achterhoofd…
het kan maar heel even verschrikkelijk veel pijn doen.
één seconde, alle doods-pijn
ik haal heel diep en langzaam adem en open mij ogen.
alles ligt er even roerloos en rustig bij als tevoor.
…
frisse lucht.
ik ben duizelig en moet even frisse lucht hebben.
ik loop met de hond langs de rivier waar alles gebeurde.
de dag is grauw en stil.
mijn gedachten, mijn lichaam, lijken totaal verdooft.
de sfeer om mij heen, blijft drijgend en drukkend.
iets is op afschuwelijke wijze zo-even verandert. onomkeerbaar verandert.
in het diepste van het zijn is alles van innerlijke gedaante verandert. Alleen de huiden, de schillen van vlees, zijn hetzelfde gebleven. Die bedriegen vanaf nu hun binnenkant en ze verbergen nu iets nieuws.
ongemakkelijk, zo vol van ongemak.
ik weet geeneens of ik ik echt wel hier loop, het voelt alsof ik het echt niet weet,
“kijk daar loopt een jongen en hij heet..”
Toen ik weer terug thuis was ging ik 12 minuten in bed liggen…
het voelde allemaal hoogst onstabiel.
mijn bestaan was aan het koorddansen op spinnenrag terwijl ik in wachtend in bed lag tot alles definitief zou vallen.
…
die avond heb ik een vriend (N?) aan de telefoon, draadloos.
en ik loop ondertussen weer met de hond aan de waaloever.
de vriend leest een duits gedicht voor.
een gedicht over vriendschap en het raakt me ineens heel diep allemaal..
de vriend stopt met lezen
het is lang stil
hij verweg
ik hier aan de waaloever met een stille hond die met lichte poten cirkels om mij danst
dan legt de vriend uit dat hij het boek toevallig op de bladzijde van het gedicht opensloeg
en hij zegt dat hij toevallig net stopt maar dat het gedicht eigenlijk nog verder gaat
de vriend leest de tweede helft
nu pas wordt het duidelijk, dat het gedicht een ode is
van de dichter aan zijn vriend
en de vriend is dood
niemand mist hem, behalve de dichter
weer is het stil
de vriend zegt mij dat hij het eerste gedeelte echt voor mij had gelezen
het tweede deel was eigenlijk niet voor mij bedoelt
zegt hij
ik vertel hem dat ik vanmiddag gestorven ben
en hij moet er niet om lachen
…
weer kom ik thuis
ik zie dat de fiets nog een slot nodig heeft
ik bedenkt twee droevige liederen die ik later aan de piano uitwerk
twee droeve liederen over het verstrijken het almaar snellere voortgaan van de tijd
schip zeilt over de grote, grote de tijd
met een spoor verleden achter zich
verleden dat steeds verder uitdijdt
en verwaterd in de grote, grote tijd
tegen het einde van de nacht loop ik nog snel in een ochtendjas naar buiten om het twede slot om de fiets te leggen
het is alweer heel koud
het vriest overduidelijk
ik hoor schoten vanuit de verte
ik zet de fiets tegen het huis op slot en weer hoor ik twee schoten afgevuurd
ik huiver en kijk op de weg
…
de dag is gesloten
ik heb zekerheden in mijn hart
die daar vereeuwigd zijn
de zekerheden weten zelf dat ze daar zijn
dat blijft
hoever de tijd ook bevaren zal worden
in liefde”