op een tekst uit 2003; met geluiden van Kent Avenue in de nacht…
-picture: Iwan Baan-
|all rights remain with F. J. de Backere|Amsterdam/New-York|2003-’09|
op een tekst uit 2003; met geluiden van Kent Avenue in de nacht…
-picture: Iwan Baan-
(of het script voor een poppenspel op film)
Een man staat onder een boom.
Zijn hoofd is hoekig,
zijn lijf staat recht,
zijn haren zijn kort.
Op het moment zijn de gedachten van de man zo ver weg,
dat het hem voorkomt als had hij geen gedachten.
Onder een boom.
De man heeft een brief, in zijn rechterhand. Op de brief staat in hoekig gedrukte letters een korte text geschreven:
dit is een vervalsing
Onder een boom.
Aan de voet van de man ligt, gekreukt, een lege envelop.
Op zijn voorhoofd parelt zweet.
Zijn haren zijn kort.
Recht staat hij, houdt stevig de brief vast.
De man omklemt de brief zo krachtig met zijn hand dat zijn knokkels er wit van worden.
De aderen op zijn hand blauwzichtbaar.
De man is gespannen.
De man is fucked up!
Hij heeft met een vervalsing te maken.
Onder een boom.
Als de zon wat verder is schiet de man zijn rechterhand kort open. De brief valt, met hoekige beweging, recht omlaag en landt naast de gekreukte envelop, aan de man zijn voet.
De man snuift.
Onder een boom.
Dan vertrekt de man en loopt op huis aan.
…en de maan laat zich reeds zien…
Als de man thuis komt, brandt de boomhuit van zijn zoons.
De man ziet het niet.
Hij ziet niet hoe zijn zoons
brand – weer spelen.
Zijn zoons doen het goed
en waarheidsgetrouw,
volgens de oude stijl:
met lange ladder en
volle emmers water.
Ze doen het volgens de oude stijl,
van voor de mammoetwet en
het studiehuis.
De hut.
De boomhut moet geblust,
kom aan,
volgens de oude stijl,
kom aan!
De man betreed het huis en trekt zijn lange zware jas uit.
Zijn schoenen ruilt hij voor pantoffels.
Rustig loopt de man in richting van de keuken.
Ver voor de deuropening van de keuken blijft hij staan.
Van een afstand ziet de man hoe zijn vrouw achter het aanrecht eten bereidt.
De vrouw staat voor het grote keukenraam,
haar silhouet steekt goed en welgevormd af tegen het straatlicht van buiten.
Buiten regent het.
De vrouw wast kort haar handen,
met water en zeep,
de man komt snel en recht op haar af,
hij is iets langer,
zij heeft dieprode lippen.
Ze kussen elkaar.
De man vraagt zijn vrouw of zij en de kinderen een leuke vrije dag hebben gehad.
Zij antwoord hem met een glimlach en een “Ja”.
De vrouw verteld rustig over de opendag bij de brandweer,
uitvoerig en gedetailleerd.
De man kijkt naar de mooie rode lippen van zijn vrouw.
Het is een goed verslag.
De man luistert aandachtig.
Als zij klaar met praten is wordt het stil.
Dan wil de vrouw van de man weten hoe zijn dag was.
De man zijn gelaat betrekt.
Het is alsof er een dichte wolk voor de keuken lamp getrokken is.
De vrouw wacht rustig af.
Na een poosje verteld de man dat hij vandaag met een vervalsing te maken had.
Zijn stem is zacht en fluistert haast hees;
kort, recht en hoekig.
De vrouw wil weten wat er toen gebeurde.
En de man verteld haar,
nauwelijks hoorbaar,
dat het over is.
twee vrouwen lachen plotseling even luid
om de verschrompelde rimpelige huid
van de appel in het plastic zakje
die door één van hen uit de zwarte canvas tas tevoorschijn wordt gehaald
de andere vrouw ordent haar haar terwijl de wind er mild mee speelt
de eerste staart ondertussen weer dromend over ‘t plein en likt resten slagroom van haar vorkje
een korst van de appelentaart wordt nauwgezet uitéén gepulkt en traagjes ontleedt terwijl af en toe een kruimel in haar mond achter paars beschilderde lippen verdwijnt
hun huid is nog strak
en nog steeds lachen de vrouwen luid
trekken theezakjes
ordenen hun handtassen en krullen zich barrevoets inéén
op de plastic-rieten-stoelen
elders
spreekt men
over letterenkunde
en
aan tafel 5 praten vier vrienden muzikanten over hun cd luidkeels
een autobus
rijdt langzaam voorbij met open deuren waaruit het dreunend geluid
van een lawaai-machien
stamt
de appelentaart is nu op
het luidkeels lachen eveneens
ouders met drie kinderen
waarvan de oudste hun éigen en de andere twee ge-adopteerd of uitbesteede oppaskinderen zijn
eten ijsjes zoet
ze eten en likken
ze schreeuwen
ze snoepen en genieten
oh zon
oh hoog heet wonder
aan dit firmament zo blauw
de twee oudste kinderen
waarvan de één de ander niet is
hebben hun ijsjes op
de ouders ook
de twee oudste kinderen mogen nu op het pleintje
krijgertje spelen
vader rookt ’n sigaartje
moeder steekt met zijn vuur haar peuk nu aan
de ouders inhaleren diep en
paffen breed
hun hoofden hullen ze in blauwe rook
voor een moment
en
het kleinste kind kan het aardbijen ijsje niet meer zo goed op
het bleek toch groter dan verwacht
het kleinste kind lijkt best alleen
moeder wil het kleintje helpen
neemt wat happen uit het ijs
er lekt wat rook uit haar mondhoeken
de damp zakt traag
uit de gaten van haar neus
zo het hoorntje in
langzaam lekt de nicotine uit mamma’s mond
langzaam het sompig sponzige wafeltjeshoorntje in
trekt naar binnen
diep naar binnen
als het gif
de gift van materie
mamma geeft het laatste restje ijs terug
aan het kleintje
dat kan ze zelf wel op
twee vrouwen lachen luid
als ik beter kijk
zie ik draken drinken