| all rights remain with F. J. de Backere | Amsterdam | 2009 |
onder een boom [kijk-versie]
Wednesday, June 3rd, 2009eine sehn Sucht
Sunday, September 28th, 2008die Seele sehnt sich
stöhnt und spannt sich an
saitenstark
und sehnt sich ihrer Liebe
klar ins Tageslicht zu sehn
doch weint und stellt sich an
und sehnt und spielt ihr Geigenlied
die kleinen grauen Wolken ‘rein
oh krumme Welt
oh grades Licht
du weiter Raum
vergisst mich nicht
meine Liebe mein
meine armen lehren Arme
sollten ja hier und um ihr sein
die Wolken aber zeigen
den Seelensang
wie öde Schafe
ihr öden Rücken ihr
und die Welt brummt
nur im gleichen Ton
rund und rund
ihre eigene Haut entlang
das grade Licht
er kennt die Sehnsucht nicht
der leere Raum
der spürt und spürt
den Abstand kaum
zonrich traurich
schrumpft die Seele
und macht sich klein
zieht sich hilflos
immer tiefer
in einer dumpfen Eigenwelt hinein
wo ihre Stimme stecken bleibt
Hier und Jetzt sich spalten
Gedanken auseinanderfalten
und das Weinen und die Lieder
schwinden
heise und letzendlich
stille
im
punkt
im Nadelloch
da dünsten sich die Tränen hoch
zu trauerlosen Wolken hoch
zusammen sich vereinent
vom Hirtenwind davongezogen
der lehre kahle Knochenmann
von seiner sehnende Seele
nun getrennt und sich entfernt
umarmt die runde Weltenhaut
und findet so sein Halt zurück
der klargewordener Blick
antwortet dem Lichte
im gleichen Gradenwinkel
Farbenformenspiel
und aus Gedankentrümmer ‘raus
vereinen sich das Hier und Jetzt
hoch und her im heilen Raum
wo die Zeit eins und Weben ist
aus Liebes Licht und Wärme
[geen titel]
Saturday, April 28th, 2007over het asfalt
als de wagen valt
draait de wereld
verdwijnt
over de schouders
hard achter de rug
blik likken
over het asfalt
onder een brug door
die op een tunnel lijkt
vergeetmeniet…
Wednesday, March 28th, 2007o huidenvriend
spaar mijn huid
laat me gaan lijvenlief
mijn vege lijf
redt ja redt mij toch
en vreet me niet
Libretto Wachterslangnacht [fragment-versie#06]
Saturday, January 6th, 2007GAST (komt binnen, hij heeft bagage op zijn rug en draagt een groot stuk van een sparreboom in zijn armen, hij is compleet uitgeput, schuw en voorzichtig loopt hij langs het publiek, steeds dicht bij de muren, vanuit de schaduw spiedend, daarbij vallen nog steeds dingen om, hij ziet de VROUWE nog niet)
ENSEMBLE houdt ongelijkmatig op met spelen daar de zangers niet meer zingen
stilte
GAST legt uitgeput de spar op de grond, zet aarzelend applaus in, kort en onzeker
mooi
stilte
er stond een klein deurtje open
hij wijst naar achter, alles steeds uitgeput
vandaar
stilte
WACHTERS
vandaar
GAST
ja
zwijgt, pakt de spar weer in zijn armen
ik zag uw huis al vanuit de verte
en dat er licht brandde
ik hoorde muziek
zwijgt en luisterd
dit is het eerste bewoonde huis dat ik hier tegen kom
stilte
d’r is hier verder helemaal niets hm
helemaal niets in de wijde omtrekken
behalve dit grote-
zwijgt de spar wordt weer neergelegd en hij komt even op adem
hier
buiten aan uw muren
bleef ik eerst een tijd staan luisteren
er stonden allemaal dieren
hier tegen de buitenmuren aangedrukt
best veel
toen zag ik ineens
zo net eigenlijk
dat er een kleine deur op een kiertje stond
eerst heb ik geklopt
heel zachtjes
toen iets harder maar ik wilde uw concert niet storen
vandaar
maar al die dieren
dat zijn er nogal veel eigenlijk
zijn die van u
ze staan d’r zo alleen en buiten
‘t wordt steeds kouder
buiten
WACHTER III
de dieren komen niet binnen hier
GAST
en omdat het steeds kouder werd
ik bedoel echt kouder
daarom ben ik maar naar binnen gegaan
in een van de gangen
daar was het ook nog best donker en een beetje koud
het spijt me dat ik hier zomaar en zo ineens binnen kom vallen
korte stilte
ik bedoel u was toch bezig nietwaar
ziet weer het publiek zitten, pakt spar weer op
kan ik hier ook een beetje meeluisteren
WACHTERS komen zwijgend rustig en gelijkmatig op de GAST af
GAST kijkt
u heeft een bijeenkomst
is het feest
vergeef me ik dat ik zomaar vraag
een bruiloft misschien
of een-
zwijgt even
is er iets aan de hand
zwijgt
d’r is iets aan de hand
nietwaar
WACHTERS stellen zich op rondom de GAST nog steeds hem naderend
GAST
ik stoor vast heel erg maar kan ik hier even zitten
vindt u het goed dat ik hier even binnen blijf
duwt de spar in de richting van een naderende WACHTER
hier
dat is voor u
korte stilte
bij wijze van geschenk
korte stilte
voor de gastvrijheid en al
WACHTER III
wat is het
GAST zwijgt even
vond ik ergens
afgetrokken door een rukwind
denk ik
houdt de spar even in de lucht voorzoveer dat gaat
dat hield me tot nu toe bijster warm als ik sliep
al wist ik niet dat het zo koud kon worden
ik bedoel zou worden
daar had ik niet zo mee gerekend moet ik zeggen
ook niet qua kleding
vandaar
WACHTERS
vandaar
WACHTER II
is u een houtvester misschien
WACHTER I tot II
dit is er geen
geen houtvester in iedergeval
tot GAST
bent u aan het jagen geslagen
zo een beetje
op onze terreinen
in de zin van
u stroopt hier toch niet zomaar in de rondte
GAST tussen WACHTER I en II door
ik ben een reis begonnen
´n tijdje terug
en ik reis nog steeds
WACHTER II tot I
hij ruikt wel naar de dieren
zeer dierlijk zelfs
GAST tussen WACHTER I en II door
ik ben op doorreis
en nu te voet
als tourist eigenijk
al een hele tijd alleen maar lopen
WACHTER I
precies maar niet naar de onze
WACHTER II
nóg niet naar de onze
zou ik zo willen zeggen
WACHTER I
heel goed
heel goed
nog niet
GAST dwars door WACHTER I gesproken
het is gewoon een hele lange tocht te voet
WACHER I
en dan vragen wij ons natuurlijk af
voor hoe lang dan
voor hoe lang ruikt hij nog niet naar onze dieren
[einde fragment-versie#06]
all right remain with F. J. de Backere | Amsterdam | 2007
zilt
Tuesday, February 1st, 2005aanwijzing:
Tijdens een witregel, of in de overgang naar de volgende regel, vindt er een pauze plaats. Hoe groter de witregel hoe langer de pauze. Er kan op allerlei verschillende manieren met de tijd omgegaan worden.
ik zal straks het licht uit doen en mij dan
op bed neerleggen
straks
…kut
ik kom dus net thuis
doe het licht in mijn kamer eerst even aan en
zie dat alles zo is als ik het heb achtergelaten
mijn blik rust zich uit
ik ben moe
nu
pas een tijdje later besef ik me dat mijn blik
op die amethist
daar in de boekenkast rust
en ik vraag mij af waarom ik naar die kleine steen daar kijk
dan antwoord ik mijzelf in gedachten
dat ik het niet weet
waarop ik mijzelf vraag of ik dan misschien de steen
even vast zou willen houden
aanraken
vasthouden misschien
en ik wacht weer op antwoord maar voel dat ik al naar de boekenkast neig om de amethist op te pakken
mijn handen omsluiten
de steen
teder
alsof het een klein dier is
heel zachtjes
en ik voel
ik voel het nu
met mijn handen dat
dat de steen een beetje nat is
en warm zelfs
vreemd toch
ik proef eraan
voorzichtig
het smaakt zilt of
of zout
ik kus
ik kus
ik
kut
ik heb stof in mijn mond gekregen
mijn hele mond vol stof
later
later was ik m’n mond
en ga maar even op bed liggen
ik laat mijn kleren aan
ik weet nu even niet waarom
maar laat mijn kleren aan
misschien voor de zekerheid
je weet maar nooit
het is ook warmer zo
beter zo
en ik doe het licht vast even uit
alle lichten in de zaal gaan voor langere tijd uit
ademhaling
lengte
tijd
adem
-
dan gaan de lichten in de zaal weer aan
ik doe het licht maar beter weer aan
lijkt geschrokken
zit recht op
zweet zelfs misschien
ik adem te snel
onderzoekt zichzelf
de kleren
er klopt hier volgens mij iets niet helemaal
onderzoekt het beddengoed
de vloer naast het bed
om mij heen is het niet helemaal
dan de rest van de kamer
angstig vanuit het bed
het is hier niet
zoekt nog een beetje om zich heen
er is hier iets niet goed
lange pauze
wil weer gaan liggen
schiet weer snel rechtop
d’r dwaalt iets hier rond
echt waar
en ik kan niet zo goed zien wat het is
maar ik voel het
ik kan het gewoon voelen
heel duidelijk
het mag niet dichterbij
niet dichter dan dit niet
en het heeft geen
ze staart
het heeft geen gezicht
het lijkt wel alsof ik het op mijn huid hier kan voelen
het laat zich voelen
het is er
hier is het
nu
alle lichten uit
gaat heel snel verder
ik verstar
ik verstar alles in mij stolt de fijnste trillingen de kleinste ademteug alles stopt en ik kan mezelf enkel nog maar waarnemen alsof ik het niet ben een donkere onduidbare schaduw of vlek of een gestalte of een beesd buigt zich langzaam gruwelijk beheerst maar langzaam buigt zich over mij heen en het is een grote gestalte een hele grote gestalte of meer nog een ruimte een ruimte die zich om mij sluit en ikzelf hoor en voel helemaal niets meer jawel ik voel het wel maar het is als verdoofd alsof ik kort geprikt werd en nu verdoofd ben ik kan het deels voelen kan mezelf waarnemen op een hele vage manier waarnemen alsof ik uit hout of beton besta en er is een hard angstig lachen en het lijkt op schreeuwen op doodskreten maar ze lachen van heel ver weg heel ver weg maar in mij diep in mij of het is dichtbij kut ik weet het niet kut shit ik neem een diep schuldgevoel waar ik kan niet schelden sorry fuck kanker nee niet schelden ik moet schelden in mijn woorden bijten vlijmscherp zijn nu ik heb iets afschuwelijks gedaan ik wil het niet toegeven het gaat niet ik kan het niet en ik weet het niet meer maar het is afgrijselijk ik ben slecht een slecht mens hier ik heb het meest afschuwelijke gedaan wat mensen kunnen doen en het is voorbij en het kwaad is in de tijd gebeiteld uit beton ik ben een standbeeld geworden en ik voel het mijn lobgen staan sijf hard stil mijn hard is weg ik het is er niet ik heb geen hart meer ik voel niets ik kan het niet meer omdraaien alles ligt hier vast en dan
neemt
de gestalte
mij geheel in zich op
het zuigt mijn ziel op
mijn adem
en ik voel hoe ik losgekoppeld wordt
weg uit de tijd
het lijkt alsof alles
zand is of gruis
en koorts
ik voel hoe de ruimte om mij heen
van mij afvalt
uiteenvalt
langere stilte
rust
weet je
ik
ik kan alleen maar wachten
ik kan enkel en alleen maar wachten tot dat dit hier over is
ik kan niets anders doen dan wachten
levenloos
pauze
en ik blijf het tot mezelf zeggen
ik herhaal het gewoon
ik kan alleen maar wachten ik kan alleen maar wachten
tot het over is kan ik alleen maar wachten alleen maar wachten
tot het over is en dan mag ik slapen
dan mag ik weer naar huis
en ik kwam thuis
licht plots weer aan
zit recht
op de rand van het bed
staart
misschien uitgeput
drink af en toe een slok
water uit een glazen fles
ik keek in mijn kamer en zag dat alles er nog was
zoals ik het had achtergelaten
mijn blik rustte zich uit
sneller dan eerst
een tijd later werd ik mij ervan bewust dat mijn blik
op de amethist
in de boekenkast rustte
en ik vroeg mij
waarom ik naar deze steen
in mijn kamer keek
ik antwoordde mijzelf
in gedachten
dat ik het niet wist
toen vroeg ik mijzelf of ik dan misschien de steen
het kleine mineraal
vast zou willen houden
en ik wachtte kort op antwoord maar voor ik dat kreeg
boog ik mijzelf al naar de boekenkast om
de amethist op te pakken
mijn handen omsloten
de steen
vol tederheid alsof het een klein kind was
en ik voelde
ik voelde met mijn handen dat de steen een beetje nat was
en warm
en ik proefde eraan
het smaakte zout
zwart
die nacht had ik een droom…
Sunday, July 7th, 2002… er was een gebouw, een theater, met een klein zaaltje.
Mensen liepen naar binnen.
Hier en daar hing een gekleurde neonlamp.
Veel groen.
Een man hield een voordracht.
Hij deed het enthousiast.
Het bleef onduidelijk waarover de voordracht ging.
Ineens zag ik dat een stel mensen zich in een halve cirkel, achter, om het publiek hadden geschaard.
Zij leken allemaal broers en zussen van de man die de voordracht hield.
De halve cirkel van mensen, die het publiek nu geheel omsloten, begon gelijkmatig te bewegen; van voor naar achter, van voor naar achter, of van buiten naar binnen, steeds sneller en synchroon.
Het had iets extatisch, maar wat vreemder was, de mensen uit het pubiek raakten allemaal hun gevoel voor orientatie kwijt.
De voordracht-man riep dat we op een deinend schip zaten. Toen hield de beweging op. Ik leek zeeziek.
De voordracht man bedankte zijn broers en zussen, het waren er minstens 25.
Vervolgens ging één van de broers op lange stokken lopen, als waren het stelten. Ook hij had het publiek iets te zeggen, wederom bleef het vaag wat precies. Ook de reacties om mij heen bleven onduidelijk en onverstaanbaar.
Tot slot was daar weer de voordracht-man.
Er stond nu een stellage op het podium waar hij in klom.
De sfeer werd killer en meer donker.
Aan de stellage was een electrische katrol, waaraan een ketting zat. Aan het andere uiteinde van de ketting zat een soort haarband.
De voordracht-man deed deze haarband in zijn haren en sprong.
Hij sprong van de stellage af, de haarband omklemde zijn hoofd en hield hem vast, de ketting tussen de man en het katrol stond (sprong) strak.
Met gesloten ogen daalde hij langzaam naar beneden.
…
Mij lukte het niet om in de haarband vast te blijven zitten.
Telkens als ik een klein stukje in de lucht gehesen werd schoot de haarband weer los.
De voordracht-man vertelde me dat ik mijn ogen moest sluiten en dat ik mijn adem met druk moest inhouden. Het mocht niet baten, ik gleed steeds weer uit de haarband.
En weer voelde ik dat de sfeer om mij heen grimmiger werd.
Onduidelijker en weer vager bovendien…
Zonder er erg in te hebben wat er precies allemaal om mij heen gebeurde werd ik in een stroom van mensen mee naar buiten gevoerd.
Ik kwam iemand tegen die ik alleen uit mijn dromen ken.
Hij sprak tot mij:
“Ik als tweede-hands autoverkoper geloofde altijd alles, maar dit gaat er bij mij toch echt niet in!”
Hij was boos.
Het gevoel van opgejaagd te zijn door de sfeer, en de angst voor wie de voordracht-man was, deden mij weglopen, ik trok mij terug uit het zicht om een hoek.
De spanning was te snijden.
Mensen liepen woedend en verontwaardigd door de straten. Ik bleef alles even gade slaan, vanachter de hoek.
Men bleek niet meer te geloven in hetgeen de voordracht-man had verteld.
Gelukkig kwam ik twee mensen tegen die te vertrouwen waren, ik weet niet waarom, ze waren gewoon te vertrouwen.
Dit voelde al wat beter.
Later kwamen we twee meisjes tegen, die één van de twee anderen reeds kende.
We gingen terug, nu met z’n vijven, richting de zaal…
We waren daar nog geen ogenblik of ik had hen, die ik vertrouwde, al kwijt geraakt…
Hoogst onprettig.
Ik ging maar dicht tegen het gebouw aan staan en hoorde uit het geroezemoes dat de voordracht-man nog steeds niet naar buiten was gekomen.
Het leek wel alsof de meute buiten de man iets aan wilde doen, hoewel, andersom zou ook heel goed mogelijk kunnen zijn, bedacht ik met grote ogen.
Grauw licht rondom mij.
Ik wachtte en daar voor de ingang van het gebouw, waarin de voordracht-man zich vermoedelijk nog bevond, daar stond een reusachtig wit-grijs paard, een machtige schimmel, te briezen.
Het grote dier droeg een zadel met daaraan een gouden staf met krul gegespt.
Het paard briesde vervaarlijk, stijgerde alsof het weg wilde, weg van de drukke menigte.
Het stijgerde nogmaals en rukte zich toe los, uit de teugels en hengsels waaran het dier tot dan toe vast zat.
Woest gallopeerde de schimmel weg, dwars tussen alle mensen door.
Een massale schok ging door menigte en mijn telefoon ging af, maar het lukte mij geenszins om op het schermpje te kijken wie mij belde, de telefoon bleef over gaan, steeds weer en het lukte mij niet eens om het ding te pakken te krijgen hoewel ik het toch zo duidelijk en dichtbij hoorde.
Langzaam werd ik wakker, het lukte mij mezelf terug te vinden in bed.
Verbaasd, heel verbaasd en dieper, dieper in mij nog en gevoel, een heel ander gevoel.
Naast mijn bed lag de telefoon met de blinkende vermelding van één gemiste oproep, onbekend nummer.
Tot op vandaag weet ik niet wie mij uit die droom heeft gehaald.
[notitie]
Monday, January 14th, 2002“ik zit op de bank in de woonkamer.
lang kijk ik naar nietszeggende middag-programma’s op de televisie.
ik zet de tv uit en blijf zitten.
er gebeurt iets.
er gebeurt iets met mijn oren.
de luchtdruk buiten lijkt plots drastisch te veranderen.
mijn trommelvliezen klikken overduidelijk om binnen- en buitendruk gelijk te stellen.
ik realizeer me dat de druk buiten wel heel snel verandert is.
als of een vliegtuig veel te snel moet landen, zo voelde het aan mijn hoofd…
dan zie ik beelden:
een meters hoge en brede muur van kolkend, vies-grijs water raast vanuit het westen het land in,
stroomopwaarts, recht tegen de waal in en kilometers per seconde.
de afschuwelijke water-muur nadert het leven, dood-snel.
de luchtdruk lijkt nogmaals te veranderen.
met moeite klik ik mijn oren, nu door te gapen.
in mijn beelden-storm is de wal van water, de woedende vloedgolf niet meer ver van waar ik zit.
afgrijzen jegens mijn beelden.
in een huivering sluit ik mijn ogen.
het voelt koud.
ik maak mijn geest helemaal leeg in afwachting van de grote, nietsontziende dreun, een klap tegen mijn ruggegraat, op mijn nek, tegen het achterhoofd…
het kan maar heel even verschrikkelijk veel pijn doen.
één seconde, alle doods-pijn
ik haal heel diep en langzaam adem en open mij ogen.
alles ligt er even roerloos en rustig bij als tevoor.
…
frisse lucht.
ik ben duizelig en moet even frisse lucht hebben.
ik loop met de hond langs de rivier waar alles gebeurde.
de dag is grauw en stil.
mijn gedachten, mijn lichaam, lijken totaal verdooft.
de sfeer om mij heen, blijft drijgend en drukkend.
iets is op afschuwelijke wijze zo-even verandert. onomkeerbaar verandert.
in het diepste van het zijn is alles van innerlijke gedaante verandert. Alleen de huiden, de schillen van vlees, zijn hetzelfde gebleven. Die bedriegen vanaf nu hun binnenkant en ze verbergen nu iets nieuws.
ongemakkelijk, zo vol van ongemak.
ik weet geeneens of ik ik echt wel hier loop, het voelt alsof ik het echt niet weet,
“kijk daar loopt een jongen en hij heet..”
Toen ik weer terug thuis was ging ik 12 minuten in bed liggen…
het voelde allemaal hoogst onstabiel.
mijn bestaan was aan het koorddansen op spinnenrag terwijl ik in wachtend in bed lag tot alles definitief zou vallen.
…
die avond heb ik een vriend (N?) aan de telefoon, draadloos.
en ik loop ondertussen weer met de hond aan de waaloever.
de vriend leest een duits gedicht voor.
een gedicht over vriendschap en het raakt me ineens heel diep allemaal..
de vriend stopt met lezen
het is lang stil
hij verweg
ik hier aan de waaloever met een stille hond die met lichte poten cirkels om mij danst
dan legt de vriend uit dat hij het boek toevallig op de bladzijde van het gedicht opensloeg
en hij zegt dat hij toevallig net stopt maar dat het gedicht eigenlijk nog verder gaat
de vriend leest de tweede helft
nu pas wordt het duidelijk, dat het gedicht een ode is
van de dichter aan zijn vriend
en de vriend is dood
niemand mist hem, behalve de dichter
weer is het stil
de vriend zegt mij dat hij het eerste gedeelte echt voor mij had gelezen
het tweede deel was eigenlijk niet voor mij bedoelt
zegt hij
ik vertel hem dat ik vanmiddag gestorven ben
en hij moet er niet om lachen
…
weer kom ik thuis
ik zie dat de fiets nog een slot nodig heeft
ik bedenkt twee droevige liederen die ik later aan de piano uitwerk
twee droeve liederen over het verstrijken het almaar snellere voortgaan van de tijd
schip zeilt over de grote, grote de tijd
met een spoor verleden achter zich
verleden dat steeds verder uitdijdt
en verwaterd in de grote, grote tijd
tegen het einde van de nacht loop ik nog snel in een ochtendjas naar buiten om het twede slot om de fiets te leggen
het is alweer heel koud
het vriest overduidelijk
ik hoor schoten vanuit de verte
ik zet de fiets tegen het huis op slot en weer hoor ik twee schoten afgevuurd
ik huiver en kijk op de weg
…
de dag is gesloten
ik heb zekerheden in mijn hart
die daar vereeuwigd zijn
de zekerheden weten zelf dat ze daar zijn
dat blijft
hoever de tijd ook bevaren zal worden
in liefde”