battery-park [lyrics]

Monday, March 30th, 2009

webbattery-park01

sunday morning
jogging people in the park
look how the girls run by
bouncing breasts
dancing tales
without even making love
some role by on rollerblades
almost floating yet too grave
listen
how their feet shuffle the soil
their deep breaths pass by
their features
all serious and grave
carved by live
and in their veins death is pounding
pounding out so loud
even the birds in their trees behind the fog
even they can hear how death is pounding through their veins
and this numb beat somehow
blends just very well with the chirrup
from behind the fog
and on the water
a boat is slicing the rivers face
dividing it in north and south
and from without the fog
death is pounding
and the girls
keep jogging around
and around
running
and running away
from place
yet time they just forget
and I just stand there in the midst of it all
and I feel like fading into the fog
and that blends just very well
with this pounding sound of death somewhere

made into a song around April 15

Khrenovukha

Saturday, March 28th, 2009

Die ochtend werd ik wakker van het oorverdovende gesnurk van de twee Essen, die eigenlijk allebei A heten. Ze snurkten in hoquetus, en maakten zo een hermitsche muur van geluid en ruis waardoor het onmogelijk was verder te slapen. De kamer stonk. Ik had een flinke kater en wankelde toen ik even uit bed stapte om te kijken of ik nog uit bed kon stappen. Het lukte. De twee russische vrienden hadden de nacht daarvoor minstens een viervoud aan vodka ingenomen en ik vroeg me af hoe de blonde S. überhaupt in het stapelbed terecht was gekomen. Toen de Australier en ik die nacht namelijk boven kwamen, lag de Blonde nog languit op de bank in de living van het hostel. In Khrenovukha-coma.

Khrenovukha is wodka, gestookt op basis van hoofdzakelijk Khren; wat ongeveer gelijk is aan het Oostenrijkse Kren, het Duitse Meerrettich, het Japanse Wasabi, de Vlaamse Mierikswortel, het Engelse Horse-radish, known, loved and used all over the world.vodka-klein
Deze op mierikswortel en honing gebasseerde wodka glijdt fluweel-zacht naar binnen, versprijdt plotseling de meest heerlijke soorten van warmte, heeft een zeer heldere en schone afdronk en ontploft als in slow-motion uiteindelijk diep in de ziel.

Het was nog veel te vroeg om op te staan, ik dronk een paar flesjes water leeg en kroop weer terug in bed, maar het gesnurk was nog altijd echt te hard. Gewelddadig. Industrie-luid. De Australier was er ook van wakker geworden, keek me verwilderd aan, schudde zijn hoofd, gebaarde me dat ik de Essen allebei een klap voor hun hoofden moest geven en viel weer in slaap. Ik probeerde het met een ferme tik op de onderkant van het bed, maar het mocht niet baten, S en S gingen gewoon door met zagen. Dankbaar pakte ik m’n I-pod en stopte m’n oren dicht met Monteverdi Madrigalen. Dat ging beter. Het snurken was ver weg nu, de stank van mensen in de morgen helaas niet. In gedachten trachtte ik een I-pod-nose te ontwerpen.

Vreemdgenoeg had ik die nacht, na het Khrenovukha-avontuur, na de verwarring en de dronkenschap, vele dromen gehad. Die combinatie kende ik nog niet. Normaal droogt alcohol ook het droomlandschap totaal uit. Toen ik voor de tweede keer wakker werd ging ik daarom snel met koffie en peuken buiten zitten om de dromen te vangen en op te schrijven.
Dromen bieden soms de mogelijkheid, eerlijk en oprecht met onszelf te zijn, oog-in-oog met het Ik te staan. Ja toch? Er zijn geen geheimen meer nodig, alleen discretie is van bellang. En dat is misschien nog veel moeilijker te verzorgen dan een geheim te bewaren. Discretie.

Toen ik een tijdje in de warme na-ochtend-zon had zitten schrijven kwamen de twee Essen buiten. Aandoenlijk als trollen na hun winter-slaap, verward over de plotse lente en het felle licht. Ze vroegen me wat er die nacht allemaal gebeurd was. Ik dichtte de gaten van hun geheugen door hen te vertellen over hun dronkenschap, hun gedrag, de ruzie met de andere russen, hun plotselinge verdwijnen, hun schulden en zo voort. Ik deed het streng omdat ik van een van hen nog tamelijk veel dollars tegoed had.
Ze schaamden zich, boden herhaaldelijk hun welgemeende excuses aan en gaven mij het voorgeschoten geld terug. Alles was weer vereffend, we waren weer onafhankelijk van elkaar en ik kon weer vriendelijk doen.
Terwijl ik aan m’n derde koffie, m’n vijfde sigaret en m’n achtste fles water was begonnen, openden zij hun eerste halve liter bier.
It works better against hang-over, zei een van de Essen, de blonde, en hij rilde van een kou die ik niet voelde.
Ik vroeg hen of ze van plan waren voor altijd in Amerika te blijven, of dat er ook voor hen een dag in de toekomst lag waarop ze terug moesten gaan. Ze vertelden me hoe hun beider ouders Green-cards bij een soort loterij hadden gewonnen. Ik kon het maar amper geloven en dacht aan de enorme hoeveelheden spam-mail die Green-cards and Good-fortune beloofden. De twee Essen waren all pretty serious about it.

Later vertelde ik hen over de onverklaarbare en zachte pijn van het verlangen dat ik naar Rusland koester sinds dat ik heel klein ben, en over mijn Rusland-spreekbeurt toen ik tien was vertelde ik, toen ik blini’s voor m’n klasgenootjes had gebakken en de juffie me zei dat ik als een echte schoolmeester voor de klas had gestaan. Ze luisterden aandachtig en waren geraakt en openden hun harten voor mij en nieuwe halve liters bier voor zichzelf. We hadden echt ziels-contact, rookten en spraken verder over Rusland, over de corrupte politie, over het duur geworden Moskva, het mooie St. Petersburg, de bloemen en de mooie vrouwen in de zomer, de vodka en depressie in de winter, over het fucked up education-system hier in Amerika, over de niet nagekomen afspraak dat Amerika in de jaren 1960 Alaska aan Rusland terug zou geven, over Sarah Palin lachten we en over het beeld dat een Rus vanaf de aleoeten makkelijk op Amerikaan’s grondgebied zou kunnen spugen.
We should have nuked that damn place, back in the sixities, zei een van de Essen ernstig.
De ander knikte even ernstig mee. Yeah. They where all pretty serious about it.

De zon had zich verplaats en ons terasje lag nu in de koele schaduw van de omliggende gebouwen. Met de middag vertrokken de twee; terug naar Chicago om na het weekend weer nuchter verder te kunnen leven, te werken en te studeren.
Bij hun vertrek gaven ze me een klein grijs lucifer-doosje met rood Russisch opschrift. Een gebaar dat m’n hart raakte. In mezelf beloofde ik het doosje nooit kwijt te zullen raken.
You should come over to visit us in Chicago one day.
Sure, I will. I definitely will, one day…
En ik wist niet zo goed wat ik daarmee precies beloofde.

vodka-klein
web-vodka-02
web-vodka-03
web-vodka-04
web-vodka-05
web-vodka-06

in love (part II)

Thursday, March 26th, 2009

Die nacht had ik een tamelijk erotische droom. Ik weet niet meer wat er precies gebeurde, wat er zich aan beelden voordeed, maar het was allemaal nogal tamelijk erotisch en al. Ik hoopte vurig dat ik niet in mijn slaap had liggen kreunen en ik schaamde me al een beetje.
Toen ik wankel van de slaap uit bed stapte, deed iedereen echter normaal. Ik zou het zelf ook niet durven, een onbekende kamergenoot aanspreken op zijn of haar in de nacht vrijkomende zuchten van gedroomde lusten.
Ik trok snel wat kleren aan en liep naar de koelkast. Het flesje met mega-gezond-maar-duur-spul stond er nog. Het was Donderdag 26 Maart. Ik dronk het flesje in een paar teugen leeg terwijl ik de waterkoker in het stopcontact stak om heet water voor oploskoffie te maken.

P3260093

Het regende zachtjes toen ik even later met een volle mok oploskoffie met ranzige melk voor een sigaret naar buiten stapte, op het kleine dakterasje van het hostel, nauw tussen de veel hogere gebouwen gepropt die nu echt de wolken aan het krabben waren. Het zou de hele dag blijven miezeren.

Binnen stelde de Australier voor om die avond wat te gaan drinken. Hij had nog steeds iets woests over zich. Ik fantaseerde dat hij een soort strijder uit tijden van knuppels en knotsen had kunnen zijn.
Do you like sports?
No, sorry. Do you like music.
No. Not really.
Well, what do you play then.
Rugby Union.
O yeah, right.
Vanaf dat moment bleef het een tijdje schuren tussen ons. Hij sprak onverstaanbaar, snel en nors, de Australiër, waardoor ik een beetje gemaakt en zelfs verwijfd vrolijk reageerde. Iets in me probeerde het geheel luchtig te houden. Misschien dacht hij dat ik een ballet-danser was. In iedergeval iets van een soort dat in zijn wereld normaliter verder weg leeft. Hij moest niets hebben van muziek en ik weet weinig van sport.

Voordat hij vertrok om te gaan sight-seen, spraken we af elkaar rond zes uur weer in het hostel te ontmoeten.

Ik hoefde niet lang te wachten of ook de andere mede-hostel-genoten hadden zich reeds enthousiast uit de voeten gemaakt om zich in de nieuwe dag te werpen. Twee hyper-jonge maar wonderschone meisjes uit Duitsland, die zich als een vrijwillige siameese-tweeling voortbewogen. Ik heb ze in iedergeval nooit apart van enlkaar gezien.

Glimlachend, met grote ogen en schuw als jonge herten in hun eerste lente.
Rond 10 uur had ik het rijk weer voor me alleen en kon ik rustig, lang en lekker heet douchen. Ik was bijna helemaal wakker, maakte nog een koffie en pakte nu de poedermelk van een bedrijf uit Zwitserland:
chemicalien uit het hooggebergte, komt geen hemelse Heidi aan te pas, in iedergeval was de melk die ontstond niet ranzig en ik schreef en verstuurde een stel emails.

web-moma-01

Toen ik klaar was verliet ik het hostel, liep de 39ste uit, naar de 9de, om via een kleine omweg bij Bryant Park uit te komen. Onderweg kocht ik tandpasta en haarspul. Hoezeer ik ook m’n best doe, na een week ben ik nog steeds gewoon een toerist. In de winkels vindt ik nog niet mijn weg. Het bestellen van koffie gaat bij mij langzamer dan bij de zakenlui met weinig tijd. En altijd neem ik onhandig het vrije plaatsje in de metro waar mensen langs moeten tijdens het in- en uitstappen. Ik doe kortom alles wat ik bij toeristen in Amsterdam waarneem. Dat oriëntatieloze, onpraktische proberen mee te bewegen in de context van het leven dat niet het jouwe is…
Zelfs in een Europees-gesausde bistro aan Bryant-Park was ik de buitenstaander. Blijkbaar rook de bediening dat ik uit de streek kom waarop zij hun bistro zo wilden doen lijken. Ik kreeg daarbinnen allerhande Franse en Duitse zinnetjes naar m’n kop geslingerd.
Bon Apetit. Guten Tag. Ad infinitum.
Een soort chique-noblese waar ik werkelijk de ballen van snap. Het brood was Duits en degelijk, dus concentreerde ik me maar daarop. Na het verwarrend ge-heen-en-weer met de bediening kon ik m’n gepeperde check betalen en zocht het toilet. Ik kon alleen maar toilet-deuren vinden met afbeeldingen van androgyne wezens erop. Ik vervloekte de tent, verdwaalde en nam waarschijnlijk een van de dames-toiletten.
Sorry. Verkeerd verbonden. Nog een fijne dag.

web-moma-02
web-moma-03

Snel liep ik het opgepompte etablissement uit, stak straten over, raadpleegde mijn molenskine-boekje, liep door en kwam uiteindelijk bij het MoMa, nam de roltrap naar 3 en stuitte op Pollock.
Nog geen vier weken eerder had ik op BBC de biopic van de schilder gezien met Ed Harris in de titelrol. Het duurde even voordat ik de beelden van de film van m’n netvlies had geslagen en regelrecht in contact stond met de schilderijen zelf. Ik genoot van hun ritme, hun verfijnde agressie, hun leven en danste innerlijk feestelijk en wild mee.
In een andere ruimte kwam ik doeken van Rothko tegen. Ik ging heel dichtbij staan, zoals Rothko het ooit adviseerde, en voelde de vibraties van de kleuren tot diep in mijn ingewanden. Levende, physieke klanken. Ik kon wel janken.
De ruimte van Warhol negeerde ik expliciet en met geheven neus kwam ik bij ruimte van Beuys. Materialen om in naar binnen te kruipen, om dan mee te doen met de plastische gedachten teneinde het spul te vergeestelijken. Bij de installatieI like America and America likes me

stonden een stel behoorlijk bekoorlijke dames, als door een sprookje gefascineerd, te kijken. Het bankje voor het televisietoestel was bezet. Toen ik terug kwam was het bankje leeg en nam ik plaats. Niet veel later zag ik iets paars in mijn ooghoek bewegen. Een duidelijk antroposofisch uitziende vrouw nam naast me plaats.

Maar natuurlijk. Waar Joseph is daar zijn ook wij. We are around.
De vrouw werd gevolgd door een man die ook ging zitten. En zo zat ik in het aangename geurenpallet van de Zaailing. Het echtpaar praatte nederlands met elkaar. Misschien omdat ik een beetje moe was lukte het me niet een normale, een uit gezond boeren-verstand ontsproten zin te maken.
Komen jullie uit Nederland.
Nee. Excuses. Bedankt. We praten toevallig zo. Verder hebben we niets met het Koninkrijk van doen. Fijne dag nog. Oh ja en, doei.

Ze bleken op Bronlaak te wonen en te werken en hun kinderen bezochten mijn oude middelbare school. Kans van 1 op 8 miljoen. Ik weet het niet. Het zal wel. So it goes.web-moma

web-moma-061
web-moma

En het is toch nu,
zo rond middernacht bij u?
Misschien ben je nog wakker. Hier valt nu in iedergeval de vooravond met zachte sluiers regen over de stad. De mega vrouw in een van haar vele gewaden.

Net stond ik op het dakterras te roken en dacht eraan dat ik, meer nog dan een liefje, een goede vriend mis, om samen hier de boel mee op te schudden, and just hanging out as well, you know. En toen dacht ik eraan hoe leuk het wel niet zou wezen als jij hier zou zijn. Samen in de metro en zo. Lekker lachen. Lekker zuipen en ontspannen en zo. Ja toch? Of niet dan? Ok. Whatever.

Na mijn laatste bericht ben ik met die gast uit Australie de stad in gegaan. Ik was van plan om naar twee verschillende optredens van vrienden te gaan, beiden in East-village. De ene zou een latin-gig hebben en de andere speelde met haar meiden-rock-band in een of ander eet-cafe een paar straten verderop. De Australier en ik hadden honger, liepen door de drizzle over de natte straten, wilden wat eten en gingen dus eerst op zoek naar het Indisch restaurant dat de Australier op tv had gezien. Langzaam zogen onze schoenen het water van de straten op. Mijn voeten werden nat.
Must be around, zei hij.
You could see Times-square. Gordon Ramsey turned the thing into a fucking nice place man. It must be just here somewhere.
En we vonden het niet.
We did got pretty wet instead, and pretty annoyed too, by the traffic and by the people which screamed and drifted around us like drops of oil in polluted water. Everything turned somehow pretty aggressive and nasty and all, that night.
Uiteindelijk zagen we een Iers eet-cafe waar we maar naar binnen gingen. We bestelden bier, hamburgers en friet en hadden elkaar niet zoveel te melden. Terwijl hij met zijn mobieltje sms’jes aan ‘t versturen was keek ik naar de foto’s van Ierse schrijvers aan de wanden van het cafeetje. Joyce leek, zo in ’t zwart wit, door het simpele lijstje gevangen, waziger en verder weg dan ooit. De burger deed goed en we raakten een beetje in gesprek. Hij vertelde mij dat hij in de staal-industrie had gewerkt maar vanwegen de crisis was ontslagen. Daarna was hij een baantje in een ski-resort in Canada gaan zoeken, vond niets en was van zijn spaarcenten maar gaan reizen.
We bleken even oud. Hij was zich totaal aan het herorienteren, net als ik.
Wat wil je later worden; als je groot bent. Ik vroeg me af hoe die vraag in het Engels zou klinken, nam een slok van mijn Brooklyn-Lager en doopte mijn laatste patat in de rode vlek Heinz op mijn bord. Inmiddels was het te laat geworden voor meiden-rock en salsa-bop. Na het eten begaven de Australier en ik ons dus maar weer in de motregen, op zoek naar een gezellig barretje voor nog een drankje of twee. We mompelden en scholden tijdens het lopen mee met de rest van de wereld om ons heen. We kwamen weer op Times-square terecht waar inmiddels grote plassen water lagen. Het was er leger dan ik tot nu toe had gezien. Voor het Hollywood-cafe bleven we even staan schuilen onder een enorm stuk afdak. Een man schreeuwde routineus iets over happy hour. One beer, three dollar. Dat vond te Australier wel interessant, dus gingen we naar binnen. Als je depressief wilt worden, prozac wilt, of een stevige combinatie van die twee, dan moet je in het Hollywood-cafe aan het Times-Square. Mijn god, wat een troosteloze bedoeling. De muren, de hoeken, de tafels, de deurposten, alles hangt er vol met decor, props, prullaria, foto’s; allemaal gestorven, magieloze troep from the movies which we used to love and adore so much, the vehicles of our dreams, just turned into ashes, right there, in front of you.
Toen we binnen werden gelaten, nam ik het direct het rechts-omkeer-terug-naat-buiten-initiatief. Ik vertelde de Australier dat de Hollywood-vesteging in Amsterdam totaal failliet was.
Totaly broke.
Hij lachte.
At least we’ve got warm and kind of dry again, opperde ik. De Australier bleef als een Reuzen-kind, een uit de kluitengewassen peuter voor de film-excrementen staan gapen en ik moest hem een beetje mee naar buiten lokken.
Toen begon ik:
I know a place at 9th Avenue…
Uiteindelijk kwamen we in Rudy’s. De tent waar de vijf Duitsers en ik eerder waren gewijgerd. Althans, ik was weg gelopen omdat ik de arrogantie van de bouncer niet meer kon verdragen.
Nu was ik er weer, what goes, comes around. De lokale wetten van Karma en Newton.
De Australier en ik werden direct binnengelaten. Wederom: als je eens een serieus gesprek met je shrink wilt hebben, moet je hier je research doen. Believe me.
Er waren voornamelijk mannen in deze club. Wankele mannen. Mannen met ieder een eigen karaf Budweiser waarmee ze hun vettige bierglazen steeds weer hervulden. Achterin stonden een stel vrouwen, angstvallig aan hun zuipende vriendjes geplakt. Eigenlijk wankelde alles een beetje.
Wat doen we hier, dacht ik, en keek naar buiten.
Een bus reed langs en door de ramen van het cafe zag ik een man in de bus zitten. De bus was voor het raam gestopt. Door de ramen van de bus en van het cafe keek de man terug. Hij had een witte baard en droeg een bril en keek heel rustig. We zaten in totaal verschillende werelden en toch keken wij elkaar aan en begrepen het moment.
De Australier hield een biertje voor m’n neus, we proostten en vonden een plaatsje achterin. Hij vertelde mij over zijn Amerika reis. Over Los Angeles, Hollywood, San Diego, San Fransico. In Hollywood was hij met een meisje naar bed geweest, vertelde hij, dat hem nu de hele tijd aan het sms’n was.
And, do you reply. Wilde ik weten.
Yes of course.
Well, how frequent.
Metallica stond aan, iets van het Black Album, het beukte over onze hoofden en liet de glazen in onze handen trillen. Buiten loeiden sirenes in andere toonsoorten mee.
Well, every other day. He replied.
So you call this every other day, vroeg ik hem terwijk ik zo duidelijk mogelijk naar zijn mobieltje wees. Hij probeerde vanalles uit te leggen, maar ik vroeg al naar de liefde.
Are you in love.
Hoe ik de klemptoon op ‘in’ legde, maakte dat ik als een zwarte priester klonk.
In Love.
Hij ontweek het hele in-love-gebeuren en ik begon over mijn liefde. Nee, nee, gewoon Liefde, zonder mijn. Ik voel het, maar ik hoef niets. De Liefde is willoos nu. Je bent ver weg, dichtbij, verwarrend. Ik weet het niet. Ik weet niet wat verliefdheid is. Wat het betekend om verliefd te zijn. De wereld is zo groot, met haar afstanden, haar dagen en nachten, haar mensen en al hun complexe individuele verhalen, en dat allemaal tegelijk. Zoiets.
We begrepen elkaar, moesten voor het eerst echt lachen en bestelden nog een bier.
Het werd gezellig en we spraken verder, terwijl ieder voor zich voortdurend de juiste woorden zocht. En het bleef gezellig, toen we later die nacht naar huis liepen, bij pizza-punten voor 99 cent even bleven kijken en ook toen ik maar liefst 9 box voor twee flessen juice kon betalen.

In het hostel ging hij snel naar bed en bleef ik nog even op om te kunnen schrijven. De chineese hostel eigenaar keek Con-Air op zijn lap-top. Het volume leek voor oost-indische dovemans-oren te zijn afgesteld en ik probeerde me niet al te veel te irriteren aan het heroisch gezeur van Nicolas Cage. Iedere minuut schraapte de hostel-eigenaar uit alle macht zijn keel, alsof hij het eten van de dag herhaaldelijk wilde herkauwen. De Siameese Duitsers sliepen al en de twee jongens uit San Diego zaten achter de computer en keken een beetje bedroefd.
En waar zit ik, vroeg ik mezelf af, toen ik begon met schrijven.
Ik had zin in een laatste sigaret, deed weer m’n schoenen aan en ging naar buiten, stapte op het terasje, daar waar mijn dag begonnen was en het duister ontspande mijn ogen.

JFK - Hostel I - take me to the bridge

Tuesday, March 17th, 2009

M (de fotograaf) en ik waren als eerste buiten. De rij- en loopstroken voor de terminal, lagen er verlaten bij. Het was er zelfs redelijk stil en de zon verwarmde de namiddag-lucht. Eindelijk konden M en ik roken. Hij belde zijn opdrachtgevers om hen van zijn behouden aankomst te vergewissen en ik belde m’n moeder om hetzelfde te doen. J (M’s assistent) kwam later. Hij en ik moesten samen een groot stuk in dezelfde richting, allebei naar Williamsburg, Brooklyn, en hadden daarom besloten een taxi te delen. We namen afscheid van M, die in Manhattan zou verblijven, en kregen een taxi met een Mexicaan achter het stuur. Er hingen groen-wit-rode vlaggetjes en banieren van Pachuca over het dashboard en om de achteruitkijkspiegel van zijn wagen. Met een noodvaart reed hij ons door de voorwijken van Brooklyn. Laagbouw, half-rottende houten huizen, hoge hekken, staal, prikkeldraad en sportvelden uit beton. De ramen van de taxi waren open en koele lucht beukte in een strak tempo naar binnen. Hartslag of muziek van een rit door verblindend zonlicht. Innerlijk danste ik mee en ik kon niets anders dan blijven glimlachen. Nederland en alles wat ik kende waren zo definitief ver weg. J had het er over hoe exciting dit wel niet voor me moest zijn.
I still remember my first time.
Tsja, dacht ik, wie niet.
And J was excited with me.
En zo zaten we samen op de achterbank nogal excited te wezen terwijl de Mexicaan het zonlicht met zijn gele wagen uiteen scheurde, en ons, in constant hoge snelheid, tussen het langzaamrijdend verkeer heen manouvreerde. We hadden eigenlijk geen haast. En ondanks de snelheid van zijn wagen straalde zelfs de Mexicaan rust uit en leek zelfs af en toe even te slapen. Af-en-toe vroeg de hij waar we ook-al-weer heen moesten. Dan noemde ik de straatnaam, de buurt en een hele reeks details, en dan herhaalde hij alles steeds verkeerd en door-elkaar. Hij had de ballen verstand van geografie. Rijden kon hij, maar de honderduizend straten, ho-maar, forget it, period. Uiteindelijk zette hij de wagen voor een rood stop-licht stil, stopte de taxi-meter en toverde stapels plattegronden vanuit het dahsboard-kastje te-voor-schijn. Sommige plattegronden waren een beetje verbrand, in de vouw-sporen van anderen kruimelden stukjes vlees en brood, maar op alle plattegronden lukte het mij de bestemming aan te wijzen. De Mexicaan begreep het niet. Hij leek zelfs niet echt op te letten wanneer ik met mijn vinger de weg voor-tekende die we nog moesten gaan. Hij is heel moe, dacht ik. Het stop-licht stond alweer een tijdje op groen en luid toeterend reden diverse auto’s rakelings aan ons voorbij. De taxi schommelde. J en ik beschreven hem herhaaldelijk en beurtelings de route.
Straight. Left. And after a couple of yards, left again. Quite simple, I guess.web-taxirit

Plotseling zei de taxi-chauffeur
Yez, Yez, stak zijn duim in de lucht, maakte een glimlach-grimas en startte de wagen.
Straight. Left. Left. Cha-cha-cha.
En zo vonden we op Varet-street, mijn onderkomen voor die week.

We namen afscheid van elkaar en J had een merkwaardig soort lichtheid over zich gekregen, iets ongrijpbaars en we beloofden elkaar in touch te blijven.

De gele wagen reed verder, verdween uit het zicht en toen stond ik daar met mijn blauwe rolkoffer uit de V&D, midden in een oud en verlaten industrie-gebied ergens in Brooklyn, New York. De zon scheen nog steeds, ik pakte mijn spullen en liep het hostel binnen om in te checken. Ik kreeg de onderste helft van een stapelbed toegewezen op een ruime slaapzaal waar plaats was voor zeker tien andere gasten. Toen ik me daar instaleerde was ik nog alleen, pas later zouden de luidruchtige en over-dramatische Spanjolen komen; en de stille en bleke jongen uit Luxemburg die je nooit echt aankeek maar die altijd wel heel dichtbij kwam staan als er ergens meer dan twee mensen samen waren; en de donkere jongen uit Georgia, die al bij het ontbijt straal bezopen en knetter stoned met een zalige grijns rondzwalkte en verloren om zich heen vroeg of er nog vrouwen waren,
where did the women go, why is it so hard,
well, it’s hard anyway, antwoordde ik dan;
en de pezige, bleke bruinkoolbrit die de hele dag binnen voor het breedbeeld scherm amerikaanse actie-series zat te kijken, voortdurend bier dronk en ‘s nachts tijdens het roken buiten op de patio over zijn overwonnen gokverslaving uitwijdde, over hoe hij op oudjaarsnacht ‘99, op de drempel van de nieuwe eeuw, bottom-rock op bed lag,
crying his eyeballs out
en leerde:
er is maar een persoon op aarde die je uit de shit kan trekken, en dat ben jij zelf;
en de twee duitsers, de zachtaardige studenten uit Madison, met wie ik twee nachten zou optrekken.

Maar deze eerste nacht was nog van mij alleen. Van mij en New York.
Het land is onzijdig, de stad is een vrouw.

Nadat ik alles zo’n beetje had opgeborgen liep ik naar buiten. Het voelde naakt maar fijn, zo zonder tas aan mijn schouder, noch met koffer aan m’n hand verder te kunnen lopen. Lichtvoetig en snel bewoog ik door de straten, nog altijd glimmend en ziels-content over hoe de tijd en de ruimte zo onaangeraakt, maagdelijk als versgevallen sneeuw, samen voor me lagen.

Ik vond het metro-station niet ver van het hostel, kocht een metrocard, nam de L-train, Manhattan-bound, en vroeg een donkere, reusachtige man met een dikke blauwe metro-jas of hij me kon vertellen waar ik moest overstappen om naar de Williams-burg-bridge te komen.
Hey man! Follow us! We’ve got go that same direction too! Man!
Ik kreeg een soort hip-hop-hand-clap en dito-omarming.
Where’re you from, man!
Amsterdam.
Wow! Shit! No kiddin’! From Amsta-focka-damn! That’s da bomb man! Always want to go there! Hell, yes I did!
We moesten overstappen, ik volgde de zwarte reus en we spraken verder. Het ging allemaal heel snel.
So, when did you came.
Arrived just today. Couple of hours ago, antwoordde ik.
Wow! Hell! And you’re on the tube already!
Yeah. Wanted to see your town right-away.
De reus van de ondergrondse haalde zijn wenkbrauwen zo hoog op dat het er even op leek alsof ze kortsluiting zouden maken met de stroom-kabels, de bedradingen van het metro-net.
Right away, huh.
Ik haalde m’n schouders kort op.
Well, I can tell you, that’s how we like it, that’s just the way how we’re used to do stuff around here, to get stuff done, ya know.
Ik kreeg weer een hip-hop knuffel en de G-train was reeds enkele stops gepasseerd.
Shouldn’t I’ve got out by now.
De reus wilde nogmaals weten waar ik ook-al-weer naartoe wilde.
Williams-burg-bridge.
Een kleine, grauwe muize-man met buiten-proportioneel grote, jampotglazen, mengde zich in het gesprek. Hij had enorme lijsten in zijn armen met daarop plattegronden van het hele New Yorksche sub-way-net-werk. Hij omarmde het papieren-gevaarte haast. omdat hij zo klein was of de papieren zo groot. Het is allemaal relatief, mijn vriend. Het licht flitste, de metro schokte en hobbelde en de passagiers deinden gewillig mee. Onverstoorbaar rustig sprak de grauwe muize-man dwars door alles heen. Zijn stem was geknepen en toch zwaar. Scherp lood sneed door de ruimte.
You should’ve got out two stops ago.
Just step out next stopt and go back two. Vulde de zwarte reus hem aan vurig aan.
Bij de volgende stop nam hij zo uitgebreid afscheid van me dat ik weer bijna een halte mistte.

Het perron was leeg en baadde in een vreemd soort licht. Ik had zin om een stukje te lopen dus verliet de ondergrondse. Boven was het donker geworden. Het was half acht in de ‘s voor-avonds en ik stond midden in het joodse gedeelte van Brooklyn Williamsburg. Om mij heen werd een mengel-moesje van jiddish en amerikaans gesproken. Meisjes met staphorst-lange-rokken giebelden; ronde, luid pratende en telefonerende Mamma’s met hun door pruiken opgevulde haardossen, Rebbe’s met lange baarden, statig in het zwart. Een van hen vroeg ik de weg naar de brug.
Hij liep een stukje samen met me op en sprak over de weg terwijl ik de naaktheid van mijn barre kruin voelde. Het voelde alsof zijn warme stem, zijn woorden mij nog meer op aarde trokken.
Adank, un gut Nacht!

Uiteindelijk vond ik de brug. Naast een stel razende fietsers en gesloten joggers was ik de enige die de oversteek nam over de immense brug die Brooklyn met Manhattan verbindt. Het uitzicht was overweldigend, ik voelde me nietig en op een prettige manier eenzaam, autonoom misschien of geworpen, je-weet-wel. Ik straalde mee met de miljarden lichtjes; met de sterren, de wolken-krabbers, de auto’s, de fabrieken, de fiets-lampen en met het diamanten gefonkel op het wateroppervlak ver, heel ver onder me.

web-vertrek-7
web-vertrek-6
web-hostel-i
web-vertrek-8

tot ziens en proost (in love part I)

Sunday, March 15th, 2009

Misschien was ik verliefd geworden, en misschien wel al veel eerder dan in Amsterdam. Ik dacht er over na toen ik naar huis liep maar kwam er niet uit. En ik dacht er over na wat het eigenlijk betekende om verliefd te zijn. De stad was stil en de lucht zacht alsof al het lente was. Ik stelde me voor dat de stappen die ik nu maakte niet veel verschilde van de stappen die ik drie jaar geleden maakte en dat ook de stappen die ik in New York zou zetten bijna hetzelfde zouden moeten zijn als deze, nu en hier. Mijn gedachten maakten steeds vreemdere en complexere vormen, deelden zich en herenigde zich met andere gedachten. Ik begon me dingen te herinneren, onlogisch en zonder orde. Misschien is de stad wel een soort vrouw, dacht ik even en ik schommelde een beetje, je kan er stilletjes verliefd op worden, je kan er voor kiezen te gaan wonen, je met haar verbinden, dan kan je alles met de tijd beter gaan leren kennen en er alsnog steeds weer in verdwalen, je door haar laten verwarren, dan merk je dat je de stad met anderen deelt en dat misschien ook zij verliefd zijn en dan begint de zoektocht naar de geheimen, de plaatsen die niemand anders kent, curiositeiten en utopieën, en dan is het alweer bijna tijd om te vertrekken. Ik fronsde mijn voorhoofd, schopte een klein steentje voor me uit toen ik de Haarlemmerweg verliet en stak de brug over. Plots zag ik iets wat ik daar nooit eerder had gezien. Meer dan drie jaar liep ik hier regelmatig rond maar dit kon ik me toch echt niet herinneren. Zoiets was me ook eens in Nijmegen overkomen, toen ik er al lang niet meer woonde zag ik ineens het ‘Wat-er-is bronnetje’, daar op de Ganzenheuvel, je weet wel, onder bij de Sint Stevenskerk, en het was totaal nieuw voor me, terwijl het er waarschijnlijk al jaren had gestaan. Nadat ik de foto van het kleine wonder in Amsterdam had gemaakt probeerde ik tijdens de rest van mijn nachtwandeling uit de letters een kloppend anagram te maken, wat natuurlijk maar half lukte en ik kwam een E te kort… Misschien waren het de biertjes, of een kortstondige koorts van de plotse verliefdheid. Wel ja; zo gaat het soms; en het gebeurt.

web-mirakelbrug