06.02.2009 opdracht #1 van MS aan FdB
BENOEM IN EEN GEDICHT WAAROM JE NIET SLAPEN KUNT
—
(schets van gedachten en assiociaties; in 7 verschillende etappes)
—
het is de koelte van de nacht
die mij wakker maakt
die mij ontwaken doet
het is het duister
waarvan mijn ogen open gaan
het zijn het de sterren die
van mijn brein het peillood maken
dat in de verte schiet
boven mij
het is het voelen dat de oneindigheid het nu af tast
in oneindigheden schiet
verdwalend en verwarrend
—
en het is Eva van de nacht
zij vraagt mij
zij zit
hoe zij op het veld in de nacht zit
het open veld
of ik sterk wil zijn
een vader een broeder of een boom
voor haar
het hooi en het oog waarin zijn slapen mag
met een hand aan de hengsel van een emmer vol met helder water
koud en klaar voor als het branden gaat
met een voet aan een lijn en belletjes
voor als haar droom-man
de vlees geworden schaduw
binnen stapt en verder gaat
met zijn vuisten
om de teugels van het paard dat haar merrie is
als zij gaat vluchten
dan blijf ik hier
—
de letters die ik draag
vaag in het duister van de volle nacht
zijn zwaar
en ook het licht van een volle maan
perst mijn ademhaling samen
de deining
polder-plat
—
mijn bed is als een vreemdeling
het heldere dat duister schept
het duistere dat helder maakt
en dwingt
het kraken van het ruggenmerg
mijn ketting die mij staande hield
bestaat uit schakels
hoe langer je leeft hoe bewuster je daarvan wordt
hoe onnatuurlijker hoe zwaarder hoe moeilijker
—
daar loeit
de uil
zijn pels
zijn vacht
zijn last en lul
vol luizen
—
het is de honger
die mij dwars zit
de lust
een volle blaas van al de meren die ik dronk
de gulzigheid die me dwalen laat
het water dat vanbinnen klotst
wanneer de stad in diepte slaapt
keer op keer
weer in mijn vacht
de kromme wolf
die onbeheersbaar door de straten dwaalt
en sluipt
en zoekt
en vraagt
—
geen herberg begraaft mij
o vorst
uw stad lijkt op een graven-plaats
uw duivels euvel
bergt mij niet
maar laat mij her en der
en ver
verspijd
door alle tijd
door U
o alle
tijd
—