Misschien was ik verliefd geworden, en misschien wel al veel eerder dan in Amsterdam. Ik dacht er over na toen ik naar huis liep maar kwam er niet uit. En ik dacht er over na wat het eigenlijk betekende om verliefd te zijn. De stad was stil en de lucht zacht alsof al het lente was. Ik stelde me voor dat de stappen die ik nu maakte niet veel verschilde van de stappen die ik drie jaar geleden maakte en dat ook de stappen die ik in New York zou zetten bijna hetzelfde zouden moeten zijn als deze, nu en hier. Mijn gedachten maakten steeds vreemdere en complexere vormen, deelden zich en herenigde zich met andere gedachten. Ik begon me dingen te herinneren, onlogisch en zonder orde. Misschien is de stad wel een soort vrouw, dacht ik even en ik schommelde een beetje, je kan er stilletjes verliefd op worden, je kan er voor kiezen te gaan wonen, je met haar verbinden, dan kan je alles met de tijd beter gaan leren kennen en er alsnog steeds weer in verdwalen, je door haar laten verwarren, dan merk je dat je de stad met anderen deelt en dat misschien ook zij verliefd zijn en dan begint de zoektocht naar de geheimen, de plaatsen die niemand anders kent, curiositeiten en utopieën, en dan is het alweer bijna tijd om te vertrekken. Ik fronsde mijn voorhoofd, schopte een klein steentje voor me uit toen ik de Haarlemmerweg verliet en stak de brug over. Plots zag ik iets wat ik daar nooit eerder had gezien. Meer dan drie jaar liep ik hier regelmatig rond maar dit kon ik me toch echt niet herinneren. Zoiets was me ook eens in Nijmegen overkomen, toen ik er al lang niet meer woonde zag ik ineens het ‘Wat-er-is bronnetje’, daar op de Ganzenheuvel, je weet wel, onder bij de Sint Stevenskerk, en het was totaal nieuw voor me, terwijl het er waarschijnlijk al jaren had gestaan. Nadat ik de foto van het kleine wonder in Amsterdam had gemaakt probeerde ik tijdens de rest van mijn nachtwandeling uit de letters een kloppend anagram te maken, wat natuurlijk maar half lukte en ik kwam een E te kort… Misschien waren het de biertjes, of een kortstondige koorts van de plotse verliefdheid. Wel ja; zo gaat het soms; en het gebeurt.
tot ziens en proost (in love part I)
Sunday, March 15th, 2009opdracht I [van MMJFS aan FJdB]
Friday, February 6th, 200906.02.2009 opdracht #1 van MS aan FdB
BENOEM IN EEN GEDICHT WAAROM JE NIET SLAPEN KUNT
—
(schets van gedachten en assiociaties; in 7 verschillende etappes)
—
het is de koelte van de nacht
die mij wakker maakt
die mij ontwaken doet
het is het duister
waarvan mijn ogen open gaan
het zijn het de sterren die
van mijn brein het peillood maken
dat in de verte schiet
boven mij
het is het voelen dat de oneindigheid het nu af tast
in oneindigheden schiet
verdwalend en verwarrend
—
en het is Eva van de nacht
zij vraagt mij
zij zit
hoe zij op het veld in de nacht zit
het open veld
of ik sterk wil zijn
een vader een broeder of een boom
voor haar
het hooi en het oog waarin zijn slapen mag
met een hand aan de hengsel van een emmer vol met helder water
koud en klaar voor als het branden gaat
met een voet aan een lijn en belletjes
voor als haar droom-man
de vlees geworden schaduw
binnen stapt en verder gaat
met zijn vuisten
om de teugels van het paard dat haar merrie is
als zij gaat vluchten
dan blijf ik hier
—
de letters die ik draag
vaag in het duister van de volle nacht
zijn zwaar
en ook het licht van een volle maan
perst mijn ademhaling samen
de deining
polder-plat
—
mijn bed is als een vreemdeling
het heldere dat duister schept
het duistere dat helder maakt
en dwingt
het kraken van het ruggenmerg
mijn ketting die mij staande hield
bestaat uit schakels
hoe langer je leeft hoe bewuster je daarvan wordt
hoe onnatuurlijker hoe zwaarder hoe moeilijker
—
daar loeit
de uil
zijn pels
zijn vacht
zijn last en lul
vol luizen
—
het is de honger
die mij dwars zit
de lust
een volle blaas van al de meren die ik dronk
de gulzigheid die me dwalen laat
het water dat vanbinnen klotst
wanneer de stad in diepte slaapt
keer op keer
weer in mijn vacht
de kromme wolf
die onbeheersbaar door de straten dwaalt
en sluipt
en zoekt
en vraagt
—
geen herberg begraaft mij
o vorst
uw stad lijkt op een graven-plaats
uw duivels euvel
bergt mij niet
maar laat mij her en der
en ver
verspijd
door alle tijd
door U
o alle
tijd
—
[reis-fragment]
Sunday, January 18th, 2009Plotseling.Zo voelde de aankomst in Zürich. Daar stond ik. Ineens buiten bij het station te wachten op jou. In de zachte motregen tussen resten smeltende sneeuw. Auto’s kwamen aan, namen de andere reizigers mee die ook net waren aangkomen en reden, zonder te hoeven wachten, weg. Ik stak een sigaret op en voelde dat mijn voeten nu op andere aarde stonden en besefte dat het nog wel even zou kunnen duren voordat jij er was. Mijn gedachten keerden om. Terug naar de ochtend van die dag. Omgeven met het maagdelijke wit van de sneeuw in de bergen. In alle vroegte waren we op skies vertrokken. Bergafwaarts, namen we afscheid van we de mooie plaats, van de hut in het besneeuwde bos. We vonden de auto terug. Die had tijdens onze dagen, op een parkeerplaatsje beneden aan de voet van de berg gewacht, in een vreemde stile, ver weg van de geluiden uit een stad. We waren moe en maakten onderweg in de auto melige grappen over nazi’s, langlaufen, liga’s, en poep. Het vermoeide -ondanks alles- lachen uit meligheid, is anders dan een ontladend gelach na een spannende, goed opgebouwde grap, maar het hield ons op een prettige manier wakker tijdens de reis. In München namen we afscheid. Niet lang maar hartelijk. JF en ik bleven achter, midden in het stadse leven voor het station. Ineens was alles weer luidkeels realistisch om ons heen. De auto reed weg en licht gedesorienteerd maakten JF en ik ons gereed om met de massa’s bagage naar de kaartjes-automaten te lopen. Het leek ergens wel alsof we dronken waren of een rol in een slapstick speelden. Ik had te weinig geld en moest nog pinnen en sleepte de tassen over de stenen vloer achter me aan.
JF probeerde behulpzaam te zijn maar alles bleef even onhandig. We konden nog even koffie drinken voordat hij bij zijn afspraken in de stad moest zijn en voordat mijn trein ging. We hadden het over geëngageerd theater-maken, over muziek en over kunst en leven zonder een politieke kleuren te moeten bekennen. Sociaal. Kunst voor onder de mensen. En gewoon. Ook ons afscheid kwam ineens. De tijd was met haar korte wieken trots door-gefladdert. De bagatellen-vogel. Na een stevige knuffel liep ik alleen verder. Het perron op, langs mijn trein. Er was een soort droefheid geweest in het afsheid en de omarming. Ik weet niet waarom. In de trein vond ik een vrij plaatsje. Ik had zin om te flirten, dus keek ik maar alvast een beetje om me heen. Een vrouw belde zeer luid terwijl ze omslachtig allerlei deitails uit de doeken deed. Een man zat verlegen tegenover haar en keek snel weg toen ik hem aan keek. Hij leek zich te schamen. Überhaupt. Een andere vrouw las uit het boekje op haar schoot. Haar ruggegraat was een gespannen boog over de letters. Weer een andere vrouw was bezig, op een nogal analyserende manier, haar complex belegde broodje in kleinere fragmenten op te delen, af en toe stak ze zo’n fragment in haar mond en slikte het zonder al te veel kauwen gewoon weg. Toen keek ik maar naar buiten. Het landschap gleed reeds grijs voorbij. Ik dacht aan Duitsland en aan oorlog. Hier in de buurt moet Dachau zijn, dacht ik. Deze ruimte. Dit voorbij glijden. Ik viel in slaap.
De reis duurde veel langer dan ik had verwacht. In Ulm stapte ik over op een diesel-treintje dat op alle tussengelegen stations naar Schaffhausen zou stoppen. Ik vond wat lege plaatsen rondom een schoon tafeltje en instaleerde mijn spullen maar liet het tafeltje leeg. Weer nam ik de omgeving in mij op. Een stelletje leek, terwijl ze toch echt wakker waren, in hun onderinge bezigheid te slapen. Iets als een direke omgeving scheen niet voor hen te bestaan, zou de trein ontsporen, ze zouden het niet mee maken, blind voor elkaars diepste wezen, en overschillig over de liefde. Verderop een ouder echtpaar. Ook blind en onverschillig voor elkaar. Maar -zo leek- zij wisten het. Zij veinzden niets meer. Geen onderling gedoe maar een stille bewegingsloze, lege ruimte tussen beiden. Ieder staartde voor zichzelf de andere kant op. Door de treinruiten. De grenzeloze, grauwe ruimte van Duitsland in. Ik weet niet of hun blikken ooit op iets stuiten. Er kwam een jonge vrouw schuin voor me zitten. Ze verichtte heel wat handelingen voordat ze eindelijk stil en gewoon zat zoals haar medereizigers gewoon en stil zaten. Eerst een papieren zakje met broodjes op het lege tafeltje. Dan nog een boek. Heel opzichtig een les-boek. Taal. Spaans of iets anders triviaals. Dan nog een mp3speler. De snoeren van de oordopjes netjes opgerold. O ja, dan nog de telefoon, niet-te-vergeten. En nog maar een sjaal erbij. Je weet maar nooit. Nee dat weet je inderdaad niet. Een ware verzameling alle-gaar stalde ze zo voor zich uit. Een klein, zekerheid biedend muurtje. En het lege tafeltje veranderde langzaam in de bonte marktkraam van haar ziel. Maar de jonge dame was wel erg mooi. Heel erg mooi. Ook al was haar trots gespeeld en flinterdun, ze bezat klasse en een soort adel. Uiterlijk. Haar huid was van het type waar ik doorgaans niet op val. Toch probeerde ik oogcontact aan te knopen. Ik was echter in een stemming waarin ik niet zo goed wist wat te zeggen behalve dat ik het niet erg vond, wanneer zij zich steeds weer verexcuseerde als een van haar eigendommen tegen mijn rustig gevouwen handen op het tafeltje stootten. Ergens voor Ravensburg kwam een man naast me zitten Hij hield zijn dikke winterjas aan waardoor hij veel ruimte in nam en bij iedere bocht van de rails mij zachtjes aanraakte. Schurend en wrijvend. Daarbij floot hij zachtjes bepaalde en verschillende melodieën die hij blijkbaar heel goed kende en waarop hij lustig voortimproviseerde door zijn alsmaar getuitte lippen. Het suisde.Ook als hij tussen zijn nummers door, even pauze nam, bleven zijn lippen getuit en bleef zijn blik strak en verheven boven de rest van het reisgezelschap. Hij ademde overduidelijk en hij leek me tamelijk tevreden met zichzelf. Een zwaktebod om zijn geisoleerde positie, ten opzichte van het gemiddelde en het ware en noeste leven, voor zichzelf steevast te ontkennen. De massa ontzweven zonder het te weten. Ja deze man was vol van zichzelf. En zo floot hij het met gespleten tong de treincoupé vol met deuntjes. Ik wilde hem op een gegeven moment echt slaan. Op die getuite lippen, met de vlakke, koude hand een duidelijke klap geven. Of tenminste hem de vraag stellen waar hij mee bezig dacht te zijn. Wat hij zich wel niet in het hoofd haalde om zich zo verheven te gedragen ten opzichte van zijn mede-reigers, hun coupé te vervuilen met zijn arrogant gefluit. Maar ik deed niets en vond mezelf net zo’n arrogante zak als mijn buurman.
En hij bleef gewoon naast me zitten tot het moment dat we samen uit de trein stapten, in Schaffhausen. Ik moest overstappen en heb de man daarna nooit meer gezien. Toch denk ik ergens dat ik, door zo over hem te denken als dat ik over hem dacht, door zijn onnodig gefluit, een karmische band met hem heb opgebouwd. Eigen schuld, Eigen boete. Of wat dan ook. Soms ben ik een groot oog dat alles willekeurig in mijn ziel, voor eeuwig op laat slaan. Geen enkel detail van de verdere reis ben ik vergeten. Niet de veel te rijk gekleedde jonge zuiplap in het daaropvolgende stoptreintje, niet de gedachten aan een eerdere liefde.
Dit is Zwitserland. En ik ben de onverstaanbaar, in grof dialekt pratende soldaten-jongens niet vergeten, noch de twee eenzame vrouwen achter lege tafels in de restauratie wagon. De ene was oud maar heel mooi. Zo zou mijn vroegere geliefde er hebben uit gezien als we tot de dood bij elkaar waren gebleven. Deze vrouw was heel fragiel. Het leek alsof ze niemand meer had en alles, behalve een uiterlijk gevoel voor sublieme stijl en gratie, was verloren. Ze had zulke duidelijke gelaatstrekken, dat de vormen de uiting leken van haar eigen psychische ambacht. Ik weet er even geen ander woord voor, psychische ambacht, dat innerlijke werken en falen van de mens, dat zich bij sommigen tekenend openbaard in bepaalde blijvende gelaatstrekken. De andere vrouw zat met haar rug naar mij toegekeerd. Ze was rond en leek me een gezellig mens. Ze maakte steeds een praatje met de ober wanner hij met zijn lege dienblad langs kwam. Ik heb dat deel van de reis dat scone dienblad nooit vol gezien. Niemand had echt iets wezenlijks te doen. Het leek alsof ze allemaal speelden op weg te zijn maar evengoed hadden ze kunnen blijven zitten tot het eindpunt van de tijd. Dat was de waarheid van het beeld en niet de waarheid van de mensen met hun individuele vertrekpunten en hun individuele doelen. Althans dat hoop ik. Niets lijkt me zo vreeselijk en etherisch leeg als bijvoorbeeld het eindpunt van de tijden. Zo kwam ik in Zürich aan. Het was half acht ’s avonds en nog steeds nam mijn oog ieder detail op, tot diep in mijn ziel. Een meisje, dat in een groepje op het peron stond, verplaatstse voor een seconde haar aandacht, vanuit hetgeen ze in dat groepje bediscussieerde, indringend naar mij. Voor een moment, maar heel stevig, hadden onze zielen waarlijk contact. Een ander meisje liep gelijktijdig op mij af. En het kleine moment leek zich te vergroten of de tijd vertraagde. Of ik een sigaretje voor haar had. Dat had ik wel. Normaal rookte ze niet. Of ik dus ook een vuutje voor haar had. Ze kwam gestrest over dus ging ik er maar gemakshalve van uit dat er iets goed met haar loos was en wenste haar succes. Ja dankje. Antwoorde ze me alsof ik haar begrepen had en liep weg.
Toen stond ik buiten. Bij de taxi’s en wachtte dus op jou mijn vriend.
[zonder titel]
Saturday, January 27th, 2007vanachter de maan
in gedachten
wachten drie bloemkolen op een gitzwarte akker
ze wachten
in gedachten vanachter de maan
EEN DODE DRENKELING IN EEN ZEE VAN DRANK
Wednesday, November 10th, 2004elf elf begint
aan vang
vergeten wat ik dacht
het is weer nacht
om te slapen
een wolk dromen
boven mij
afschuw lijk
dicht bij
drijft zij
regenloos aan mij
voorbij
ik bid om droomregen
het elektrisch kacheltje
blaast de kamerruimte vol warmte
droge warmte
droge lucht
late lucht
laat de lucht bewegingsloos en
alles rust en zwijgt en slaapt
ogenloos of ongezien of blind
in het lijf
dat waakt
het vlees dat niet slapen kan
daar huist muziek en onrust in
kalkachtig klankenspel
bottenmarimba
knekelxylophoon
bloedstrijkers hoog
ronkende leverblazers
galklavier pling plong en zo
in een café alle waarheid nogmaals uitgesproken
ik dronk en gedronken en heb verder gedroken
in plaats van alle echte woede
in plaats van slaap
misschien
levensloze begrippen de wereld ingestuurd
misschien
een soort boog door de lucht waarvan de uiteinden stevig in de aarde staan
de aarde
in welke weet ik even niet
misschien een illusie of wat dan ook
en ik
(een dode drenkeling in een zee van drank)
TAAL
Tuesday, March 19th, 2002[2 notities]
Tuesday, December 12th, 2000I.
“In het maanlicht,
omhelsden twee lantarenpalen
elkaar”
II.
“De taxateur veliet vergenoegd
het vers-getaxeerde pand,
wat een geluk voor de eigenaar,
het pand stond nu pas in brand”
[notities]
Friday, July 7th, 2000We gebruiken tijd vooral als aanduiding, om ook dingen te kunnen indelen, handig en overzichtelijk voor ons, in toen, later en nu.
We kaderen iets af, iets wezenijks iets essentieels, we creëren voor onszelf een bepaald contrast tussen toendertijd en vandaag de dag, opdat iets uit vervlogen dagen een vaste, onbewegelijke plaats in de tijd krijgt, zodat we ernaar kunnen kijken als naar een steen of standbeeld. Zodat we niet hoeven te vrezen dat ons iets van achter kan treffen, ineens plotsklaps. Zodat we op nu, maar nog liever op morgen gefocussed kunnen zijn.
Maar houden éénmaal begonnen dingen, werkelijk op?
Als iemand is gestorven, dan is het sterven inderdaad opgehouden maar dat diegene gestorven is, dat blijft altijd doorwerken. Strekken de consequenties van een ver verleden zich niet gewoon tot ver, heel ver in de toekomst uit, verder dan een mens kan overzien?

