die nacht had ik een droom…

Sunday, July 7th, 2002

… er was een gebouw, een theater, met een klein zaaltje.
Mensen liepen naar binnen.
Hier en daar hing een gekleurde neonlamp.
Veel groen.
Een man hield een voordracht.
Hij deed het enthousiast.
Het bleef onduidelijk waarover de voordracht ging.
Ineens zag ik dat een stel mensen zich in een halve cirkel, achter, om het publiek hadden geschaard.
Zij leken allemaal broers en zussen van de man die de voordracht hield.
De halve cirkel van mensen, die het publiek nu geheel omsloten, begon gelijkmatig te bewegen; van voor naar achter, van voor naar achter, of van buiten naar binnen, steeds sneller en synchroon.
Het had iets extatisch, maar wat vreemder was, de mensen uit het pubiek raakten allemaal hun gevoel voor orientatie kwijt.
De voordracht-man riep dat we op een deinend schip zaten. Toen hield de beweging op. Ik leek zeeziek.
De voordracht man bedankte zijn broers en zussen, het waren er minstens 25.
Vervolgens ging één van de broers op lange stokken lopen, als waren het stelten. Ook hij had het publiek iets te zeggen, wederom bleef het vaag wat precies. Ook de reacties om mij heen bleven onduidelijk en onverstaanbaar.
Tot slot was daar weer de voordracht-man.
Er stond nu een stellage op het podium waar hij in klom.
De sfeer werd killer en meer donker.
Aan de stellage was een electrische katrol, waaraan een ketting zat. Aan het andere uiteinde van de ketting zat een soort haarband.
De voordracht-man deed deze haarband in zijn haren en sprong.
Hij sprong van de stellage af, de haarband omklemde zijn hoofd en hield hem vast, de ketting tussen de man en het katrol stond (sprong) strak.
Met gesloten ogen daalde hij langzaam naar beneden.

Mij lukte het niet om in de haarband vast te blijven zitten.
Telkens als ik een klein stukje in de lucht gehesen werd schoot de haarband weer los.
De voordracht-man vertelde me dat ik mijn ogen moest sluiten en dat ik mijn adem met druk moest inhouden. Het mocht niet baten, ik gleed steeds weer uit de haarband.
En weer voelde ik dat de sfeer om mij heen grimmiger werd.
Onduidelijker en weer vager bovendien…
Zonder er erg in te hebben wat er precies allemaal om mij heen gebeurde werd ik in een stroom van mensen mee naar buiten gevoerd.
Ik kwam iemand tegen die ik alleen uit mijn dromen ken.
Hij sprak tot mij:
“Ik als tweede-hands autoverkoper geloofde altijd alles, maar dit gaat er bij mij toch echt niet in!”
Hij was boos.
Het gevoel van opgejaagd te zijn door de sfeer, en de angst voor wie de voordracht-man was, deden mij weglopen, ik trok mij terug uit het zicht om een hoek.
De spanning was te snijden.
Mensen liepen woedend en verontwaardigd door de straten. Ik bleef alles even gade slaan, vanachter de hoek.
Men bleek niet meer te geloven in hetgeen de voordracht-man had verteld.
Gelukkig kwam ik twee mensen tegen die te vertrouwen waren, ik weet niet waarom, ze waren gewoon te vertrouwen.
Dit voelde al wat beter.
Later kwamen we twee meisjes tegen, die één van de twee anderen reeds kende.
We gingen terug, nu met z’n vijven, richting de zaal…
We waren daar nog geen ogenblik of ik had hen, die ik vertrouwde, al kwijt geraakt…
Hoogst onprettig.
Ik ging maar dicht tegen het gebouw aan staan en hoorde uit het geroezemoes dat de voordracht-man nog steeds niet naar buiten was gekomen.
Het leek wel alsof de meute buiten de man iets aan wilde doen, hoewel, andersom zou ook heel goed mogelijk kunnen zijn, bedacht ik met grote ogen.
Grauw licht rondom mij.
Ik wachtte en daar voor de ingang van het gebouw, waarin de voordracht-man zich vermoedelijk nog bevond, daar stond een reusachtig wit-grijs paard, een machtige schimmel, te briezen.
Het grote dier droeg een zadel met daaraan een gouden staf met krul gegespt.
Het paard briesde vervaarlijk, stijgerde alsof het weg wilde, weg van de drukke menigte.
Het stijgerde nogmaals en rukte zich toe los, uit de teugels en hengsels waaran het dier tot dan toe vast zat.
Woest gallopeerde de schimmel weg, dwars tussen alle mensen door.
Een massale schok ging door menigte en mijn telefoon ging af, maar het lukte mij geenszins om op het schermpje te kijken wie mij belde, de telefoon bleef over gaan, steeds weer en het lukte mij niet eens om het ding te pakken te krijgen hoewel ik het toch zo duidelijk en dichtbij hoorde.
Langzaam werd ik wakker, het lukte mij mezelf terug te vinden in bed.
Verbaasd, heel verbaasd en dieper, dieper in mij nog en gevoel, een heel ander gevoel.
Naast mijn bed lag de telefoon met de blinkende vermelding van één gemiste oproep, onbekend nummer.
Tot op vandaag weet ik niet wie mij uit die droom heeft gehaald.