M (de fotograaf) en ik waren als eerste buiten. De rij- en loopstroken voor de terminal, lagen er verlaten bij. Het was er zelfs redelijk stil en de zon verwarmde de namiddag-lucht. Eindelijk konden M en ik roken. Hij belde zijn opdrachtgevers om hen van zijn behouden aankomst te vergewissen en ik belde m’n moeder om hetzelfde te doen. J (M’s assistent) kwam later. Hij en ik moesten samen een groot stuk in dezelfde richting, allebei naar Williamsburg, Brooklyn, en hadden daarom besloten een taxi te delen. We namen afscheid van M, die in Manhattan zou verblijven, en kregen een taxi met een Mexicaan achter het stuur. Er hingen groen-wit-rode vlaggetjes en banieren van Pachuca over het dashboard en om de achteruitkijkspiegel van zijn wagen. Met een noodvaart reed hij ons door de voorwijken van Brooklyn. Laagbouw, half-rottende houten huizen, hoge hekken, staal, prikkeldraad en sportvelden uit beton. De ramen van de taxi waren open en koele lucht beukte in een strak tempo naar binnen. Hartslag of muziek van een rit door verblindend zonlicht. Innerlijk danste ik mee en ik kon niets anders dan blijven glimlachen. Nederland en alles wat ik kende waren zo definitief ver weg. J had het er over hoe exciting dit wel niet voor me moest zijn.
I still remember my first time.
Tsja, dacht ik, wie niet.
And J was excited with me.
En zo zaten we samen op de achterbank nogal excited te wezen terwijl de Mexicaan het zonlicht met zijn gele wagen uiteen scheurde, en ons, in constant hoge snelheid, tussen het langzaamrijdend verkeer heen manouvreerde. We hadden eigenlijk geen haast. En ondanks de snelheid van zijn wagen straalde zelfs de Mexicaan rust uit en leek zelfs af en toe even te slapen. Af-en-toe vroeg de hij waar we ook-al-weer heen moesten. Dan noemde ik de straatnaam, de buurt en een hele reeks details, en dan herhaalde hij alles steeds verkeerd en door-elkaar. Hij had de ballen verstand van geografie. Rijden kon hij, maar de honderduizend straten, ho-maar, forget it, period. Uiteindelijk zette hij de wagen voor een rood stop-licht stil, stopte de taxi-meter en toverde stapels plattegronden vanuit het dahsboard-kastje te-voor-schijn. Sommige plattegronden waren een beetje verbrand, in de vouw-sporen van anderen kruimelden stukjes vlees en brood, maar op alle plattegronden lukte het mij de bestemming aan te wijzen. De Mexicaan begreep het niet. Hij leek zelfs niet echt op te letten wanneer ik met mijn vinger de weg voor-tekende die we nog moesten gaan. Hij is heel moe, dacht ik. Het stop-licht stond alweer een tijdje op groen en luid toeterend reden diverse auto’s rakelings aan ons voorbij. De taxi schommelde. J en ik beschreven hem herhaaldelijk en beurtelings de route.
Straight. Left. And after a couple of yards, left again. Quite simple, I guess.web-taxirit
Plotseling zei de taxi-chauffeur
Yez, Yez, stak zijn duim in de lucht, maakte een glimlach-grimas en startte de wagen.
Straight. Left. Left. Cha-cha-cha.
En zo vonden we op Varet-street, mijn onderkomen voor die week.
We namen afscheid van elkaar en J had een merkwaardig soort lichtheid over zich gekregen, iets ongrijpbaars en we beloofden elkaar in touch te blijven.
De gele wagen reed verder, verdween uit het zicht en toen stond ik daar met mijn blauwe rolkoffer uit de V&D, midden in een oud en verlaten industrie-gebied ergens in Brooklyn, New York. De zon scheen nog steeds, ik pakte mijn spullen en liep het hostel binnen om in te checken. Ik kreeg de onderste helft van een stapelbed toegewezen op een ruime slaapzaal waar plaats was voor zeker tien andere gasten. Toen ik me daar instaleerde was ik nog alleen, pas later zouden de luidruchtige en over-dramatische Spanjolen komen; en de stille en bleke jongen uit Luxemburg die je nooit echt aankeek maar die altijd wel heel dichtbij kwam staan als er ergens meer dan twee mensen samen waren; en de donkere jongen uit Georgia, die al bij het ontbijt straal bezopen en knetter stoned met een zalige grijns rondzwalkte en verloren om zich heen vroeg of er nog vrouwen waren,
where did the women go, why is it so hard,
well, it’s hard anyway, antwoordde ik dan;
en de pezige, bleke bruinkoolbrit die de hele dag binnen voor het breedbeeld scherm amerikaanse actie-series zat te kijken, voortdurend bier dronk en ‘s nachts tijdens het roken buiten op de patio over zijn overwonnen gokverslaving uitwijdde, over hoe hij op oudjaarsnacht ‘99, op de drempel van de nieuwe eeuw, bottom-rock op bed lag,
crying his eyeballs out
en leerde:
er is maar een persoon op aarde die je uit de shit kan trekken, en dat ben jij zelf;
en de twee duitsers, de zachtaardige studenten uit Madison, met wie ik twee nachten zou optrekken.
Maar deze eerste nacht was nog van mij alleen. Van mij en New York.
Het land is onzijdig, de stad is een vrouw.
Nadat ik alles zo’n beetje had opgeborgen liep ik naar buiten. Het voelde naakt maar fijn, zo zonder tas aan mijn schouder, noch met koffer aan m’n hand verder te kunnen lopen. Lichtvoetig en snel bewoog ik door de straten, nog altijd glimmend en ziels-content over hoe de tijd en de ruimte zo onaangeraakt, maagdelijk als versgevallen sneeuw, samen voor me lagen.
Ik vond het metro-station niet ver van het hostel, kocht een metrocard, nam de L-train, Manhattan-bound, en vroeg een donkere, reusachtige man met een dikke blauwe metro-jas of hij me kon vertellen waar ik moest overstappen om naar de Williams-burg-bridge te komen.
Hey man! Follow us! We’ve got go that same direction too! Man!
Ik kreeg een soort hip-hop-hand-clap en dito-omarming.
Where’re you from, man!
Amsterdam.
Wow! Shit! No kiddin’! From Amsta-focka-damn! That’s da bomb man! Always want to go there! Hell, yes I did!
We moesten overstappen, ik volgde de zwarte reus en we spraken verder. Het ging allemaal heel snel.
So, when did you came.
Arrived just today. Couple of hours ago, antwoordde ik.
Wow! Hell! And you’re on the tube already!
Yeah. Wanted to see your town right-away.
De reus van de ondergrondse haalde zijn wenkbrauwen zo hoog op dat het er even op leek alsof ze kortsluiting zouden maken met de stroom-kabels, de bedradingen van het metro-net.
Right away, huh.
Ik haalde m’n schouders kort op.
Well, I can tell you, that’s how we like it, that’s just the way how we’re used to do stuff around here, to get stuff done, ya know.
Ik kreeg weer een hip-hop knuffel en de G-train was reeds enkele stops gepasseerd.
Shouldn’t I’ve got out by now.
De reus wilde nogmaals weten waar ik ook-al-weer naartoe wilde.
Williams-burg-bridge.
Een kleine, grauwe muize-man met buiten-proportioneel grote, jampotglazen, mengde zich in het gesprek. Hij had enorme lijsten in zijn armen met daarop plattegronden van het hele New Yorksche sub-way-net-werk. Hij omarmde het papieren-gevaarte haast. omdat hij zo klein was of de papieren zo groot. Het is allemaal relatief, mijn vriend. Het licht flitste, de metro schokte en hobbelde en de passagiers deinden gewillig mee. Onverstoorbaar rustig sprak de grauwe muize-man dwars door alles heen. Zijn stem was geknepen en toch zwaar. Scherp lood sneed door de ruimte.
You should’ve got out two stops ago.
Just step out next stopt and go back two. Vulde de zwarte reus hem aan vurig aan.
Bij de volgende stop nam hij zo uitgebreid afscheid van me dat ik weer bijna een halte mistte.
Het perron was leeg en baadde in een vreemd soort licht. Ik had zin om een stukje te lopen dus verliet de ondergrondse. Boven was het donker geworden. Het was half acht in de ‘s voor-avonds en ik stond midden in het joodse gedeelte van Brooklyn Williamsburg. Om mij heen werd een mengel-moesje van jiddish en amerikaans gesproken. Meisjes met staphorst-lange-rokken giebelden; ronde, luid pratende en telefonerende Mamma’s met hun door pruiken opgevulde haardossen, Rebbe’s met lange baarden, statig in het zwart. Een van hen vroeg ik de weg naar de brug.
Hij liep een stukje samen met me op en sprak over de weg terwijl ik de naaktheid van mijn barre kruin voelde. Het voelde alsof zijn warme stem, zijn woorden mij nog meer op aarde trokken.
Adank, un gut Nacht!
Uiteindelijk vond ik de brug. Naast een stel razende fietsers en gesloten joggers was ik de enige die de oversteek nam over de immense brug die Brooklyn met Manhattan verbindt. Het uitzicht was overweldigend, ik voelde me nietig en op een prettige manier eenzaam, autonoom misschien of geworpen, je-weet-wel. Ik straalde mee met de miljarden lichtjes; met de sterren, de wolken-krabbers, de auto’s, de fabrieken, de fiets-lampen en met het diamanten gefonkel op het wateroppervlak ver, heel ver onder me.



