Treinmijmering op weg naar de notaris in Voorschoten.
Daar staat de fiets van mijn vader en nog wat ander klein spul.
Vier jaar na dato kan ik die dingen nu dan eindelijk af komen halen.
Het wagentje met versnaperingen komt langs, ik bestel een koffie.
De opgewekte bediening schenkt het bekertje extra vol.
Misschien is het koffiekraantje wel defect, relatieveer ik.
De avond darvoor had ik ook koffie geschonken. In de pauze van een toneelstuk op school.
Ik denk over wederkeer van bepaalde daden. Goede daden.
Een kopje extra vol met koffie serveren lijkt mij een goede daad.
Volle kopjes koffie maken de mensen blij.
En blije mensen infecteren met glimlach of lieve woorden andere mensen met blijdschap.
Binnen de kortste keren heb je zo een hele stad blij gemaakt.
In dit geval de bediening een hele trein en daarbij alle steden waar de trein stopt.
Die mogelijkheid lijkt plausiebel.
Ben ik nu een soort godheid, of was het koffie kraantje stuk?
Als ik dit zou weten in plaats van vragen dan was ik een godheid, ja, ik ben er dus geen…
Het koffiekraantje zal wel gewoon stuk zijn geweest.