zilt

Tuesday, February 1st, 2005

aanwijzing:
Tijdens een witregel, of in de overgang naar de volgende regel, vindt er een pauze plaats. Hoe groter de witregel hoe langer de pauze. Er kan op allerlei verschillende manieren met de tijd omgegaan worden.

ik zal straks het licht uit doen en mij dan
op bed neerleggen
straks

…kut

ik kom dus net thuis

doe het licht in mijn kamer eerst even aan en
zie dat alles zo is als ik het heb achtergelaten
mijn blik rust zich uit

ik ben moe
nu

pas een tijdje later besef ik me dat mijn blik
op die amethist
daar in de boekenkast rust
en ik vraag mij af waarom ik naar die kleine steen daar kijk

dan antwoord ik mijzelf in gedachten
dat ik het niet weet
waarop ik mijzelf vraag of ik dan misschien de steen
even vast zou willen houden
aanraken
vasthouden misschien
en ik wacht weer op antwoord maar voel dat ik al naar de boekenkast neig om de amethist op te pakken

mijn handen omsluiten
de steen
teder
alsof het een klein dier is
heel zachtjes
en ik voel
ik voel het nu
met mijn handen dat
dat de steen een beetje nat is
en warm zelfs

vreemd toch

ik proef eraan
voorzichtig
het smaakt zilt of
of zout

ik kus

ik kus

ik

kut
ik heb stof in mijn mond gekregen
mijn hele mond vol stof

later
later was ik m’n mond
en ga maar even op bed liggen
ik laat mijn kleren aan
ik weet nu even niet waarom
maar laat mijn kleren aan
misschien voor de zekerheid
je weet maar nooit
het is ook warmer zo
beter zo
en ik doe het licht vast even uit

alle lichten in de zaal gaan voor langere tijd uit
ademhaling
lengte
tijd
adem
-
dan gaan de lichten in de zaal weer aan

ik doe het licht maar beter weer aan
lijkt geschrokken
zit recht op
zweet zelfs misschien
ik adem te snel
onderzoekt zichzelf
de kleren
er klopt hier volgens mij iets niet helemaal
onderzoekt het beddengoed
de vloer naast het bed
om mij heen is het niet helemaal
dan de rest van de kamer
angstig vanuit het bed
het is hier niet
zoekt nog een beetje om zich heen
er is hier iets niet goed
lange pauze
wil weer gaan liggen
schiet weer snel rechtop
d’r dwaalt iets hier rond
echt waar
en ik kan niet zo goed zien wat het is
maar ik voel het
ik kan het gewoon voelen
heel duidelijk

het mag niet dichterbij
niet dichter dan dit niet
en het heeft geen

ze staart

het heeft geen gezicht

het lijkt wel alsof ik het op mijn huid hier kan voelen

het laat zich voelen

het is er
hier is het
nu
alle lichten uit
gaat heel snel verder
ik verstar
ik verstar alles in mij stolt de fijnste trillingen de kleinste ademteug alles stopt en ik kan mezelf enkel nog maar waarnemen alsof ik het niet ben een donkere onduidbare schaduw of vlek of een gestalte of een beesd buigt zich langzaam gruwelijk beheerst maar langzaam buigt zich over mij heen en het is een grote gestalte een hele grote gestalte of meer nog een ruimte een ruimte die zich om mij sluit en ikzelf hoor en voel helemaal niets meer jawel ik voel het wel maar het is als verdoofd alsof ik kort geprikt werd en nu verdoofd ben ik kan het deels voelen kan mezelf waarnemen op een hele vage manier waarnemen alsof ik uit hout of beton besta en er is een hard angstig lachen en het lijkt op schreeuwen op doodskreten maar ze lachen van heel ver weg heel ver weg maar in mij diep in mij of het is dichtbij kut ik weet het niet kut shit ik neem een diep schuldgevoel waar ik kan niet schelden sorry fuck kanker nee niet schelden ik moet schelden in mijn woorden bijten vlijmscherp zijn nu ik heb iets afschuwelijks gedaan ik wil het niet toegeven het gaat niet ik kan het niet en ik weet het niet meer maar het is afgrijselijk ik ben slecht een slecht mens hier ik heb het meest afschuwelijke gedaan wat mensen kunnen doen en het is voorbij en het kwaad is in de tijd gebeiteld uit beton ik ben een standbeeld geworden en ik voel het mijn lobgen staan sijf hard stil mijn hard is weg ik het is er niet ik heb geen hart meer ik voel niets ik kan het niet meer omdraaien alles ligt hier vast en dan
neemt
de gestalte
mij geheel in zich op
het zuigt mijn ziel op
mijn adem
en ik voel hoe ik losgekoppeld wordt
weg uit de tijd
het lijkt alsof alles
zand is of gruis
en koorts
ik voel hoe de ruimte om mij heen
van mij afvalt
uiteenvalt

langere stilte
rust

weet je
ik

ik kan alleen maar wachten

ik kan enkel en alleen maar wachten tot dat dit hier over is
ik kan niets anders doen dan wachten

levenloos

pauze

en ik blijf het tot mezelf zeggen
ik herhaal het gewoon

ik kan alleen maar wachten ik kan alleen maar wachten
tot het over is kan ik alleen maar wachten alleen maar wachten
tot het over is en dan mag ik slapen
dan mag ik weer naar huis
en ik kwam thuis

licht plots weer aan
zit recht
op de rand van het bed
staart
misschien uitgeput
drink af en toe een slok
water uit een glazen fles

ik keek in mijn kamer en zag dat alles er nog was
zoals ik het had achtergelaten

mijn blik rustte zich uit
sneller dan eerst
een tijd later werd ik mij ervan bewust dat mijn blik
op de amethist
in de boekenkast rustte
en ik vroeg mij
waarom ik naar deze steen
in mijn kamer keek

ik antwoordde mijzelf
in gedachten
dat ik het niet wist
toen vroeg ik mijzelf of ik dan misschien de steen
het kleine mineraal
vast zou willen houden

en ik wachtte kort op antwoord maar voor ik dat kreeg
boog ik mijzelf al naar de boekenkast om
de amethist op te pakken

mijn handen omsloten
de steen
vol tederheid alsof het een klein kind was

en ik voelde
ik voelde met mijn handen dat de steen een beetje nat was
en warm

en ik proefde eraan
het smaakte zout

zwart

die nacht had ik een droom…

Sunday, July 7th, 2002

… er was een gebouw, een theater, met een klein zaaltje.
Mensen liepen naar binnen.
Hier en daar hing een gekleurde neonlamp.
Veel groen.
Een man hield een voordracht.
Hij deed het enthousiast.
Het bleef onduidelijk waarover de voordracht ging.
Ineens zag ik dat een stel mensen zich in een halve cirkel, achter, om het publiek hadden geschaard.
Zij leken allemaal broers en zussen van de man die de voordracht hield.
De halve cirkel van mensen, die het publiek nu geheel omsloten, begon gelijkmatig te bewegen; van voor naar achter, van voor naar achter, of van buiten naar binnen, steeds sneller en synchroon.
Het had iets extatisch, maar wat vreemder was, de mensen uit het pubiek raakten allemaal hun gevoel voor orientatie kwijt.
De voordracht-man riep dat we op een deinend schip zaten. Toen hield de beweging op. Ik leek zeeziek.
De voordracht man bedankte zijn broers en zussen, het waren er minstens 25.
Vervolgens ging één van de broers op lange stokken lopen, als waren het stelten. Ook hij had het publiek iets te zeggen, wederom bleef het vaag wat precies. Ook de reacties om mij heen bleven onduidelijk en onverstaanbaar.
Tot slot was daar weer de voordracht-man.
Er stond nu een stellage op het podium waar hij in klom.
De sfeer werd killer en meer donker.
Aan de stellage was een electrische katrol, waaraan een ketting zat. Aan het andere uiteinde van de ketting zat een soort haarband.
De voordracht-man deed deze haarband in zijn haren en sprong.
Hij sprong van de stellage af, de haarband omklemde zijn hoofd en hield hem vast, de ketting tussen de man en het katrol stond (sprong) strak.
Met gesloten ogen daalde hij langzaam naar beneden.

Mij lukte het niet om in de haarband vast te blijven zitten.
Telkens als ik een klein stukje in de lucht gehesen werd schoot de haarband weer los.
De voordracht-man vertelde me dat ik mijn ogen moest sluiten en dat ik mijn adem met druk moest inhouden. Het mocht niet baten, ik gleed steeds weer uit de haarband.
En weer voelde ik dat de sfeer om mij heen grimmiger werd.
Onduidelijker en weer vager bovendien…
Zonder er erg in te hebben wat er precies allemaal om mij heen gebeurde werd ik in een stroom van mensen mee naar buiten gevoerd.
Ik kwam iemand tegen die ik alleen uit mijn dromen ken.
Hij sprak tot mij:
“Ik als tweede-hands autoverkoper geloofde altijd alles, maar dit gaat er bij mij toch echt niet in!”
Hij was boos.
Het gevoel van opgejaagd te zijn door de sfeer, en de angst voor wie de voordracht-man was, deden mij weglopen, ik trok mij terug uit het zicht om een hoek.
De spanning was te snijden.
Mensen liepen woedend en verontwaardigd door de straten. Ik bleef alles even gade slaan, vanachter de hoek.
Men bleek niet meer te geloven in hetgeen de voordracht-man had verteld.
Gelukkig kwam ik twee mensen tegen die te vertrouwen waren, ik weet niet waarom, ze waren gewoon te vertrouwen.
Dit voelde al wat beter.
Later kwamen we twee meisjes tegen, die één van de twee anderen reeds kende.
We gingen terug, nu met z’n vijven, richting de zaal…
We waren daar nog geen ogenblik of ik had hen, die ik vertrouwde, al kwijt geraakt…
Hoogst onprettig.
Ik ging maar dicht tegen het gebouw aan staan en hoorde uit het geroezemoes dat de voordracht-man nog steeds niet naar buiten was gekomen.
Het leek wel alsof de meute buiten de man iets aan wilde doen, hoewel, andersom zou ook heel goed mogelijk kunnen zijn, bedacht ik met grote ogen.
Grauw licht rondom mij.
Ik wachtte en daar voor de ingang van het gebouw, waarin de voordracht-man zich vermoedelijk nog bevond, daar stond een reusachtig wit-grijs paard, een machtige schimmel, te briezen.
Het grote dier droeg een zadel met daaraan een gouden staf met krul gegespt.
Het paard briesde vervaarlijk, stijgerde alsof het weg wilde, weg van de drukke menigte.
Het stijgerde nogmaals en rukte zich toe los, uit de teugels en hengsels waaran het dier tot dan toe vast zat.
Woest gallopeerde de schimmel weg, dwars tussen alle mensen door.
Een massale schok ging door menigte en mijn telefoon ging af, maar het lukte mij geenszins om op het schermpje te kijken wie mij belde, de telefoon bleef over gaan, steeds weer en het lukte mij niet eens om het ding te pakken te krijgen hoewel ik het toch zo duidelijk en dichtbij hoorde.
Langzaam werd ik wakker, het lukte mij mezelf terug te vinden in bed.
Verbaasd, heel verbaasd en dieper, dieper in mij nog en gevoel, een heel ander gevoel.
Naast mijn bed lag de telefoon met de blinkende vermelding van één gemiste oproep, onbekend nummer.
Tot op vandaag weet ik niet wie mij uit die droom heeft gehaald.