hardop reciteren
-
kommm
kommmmovermemond
drukmijnlongenzwartnaarbuiten
kommmvormgegevendoorhetvuurbrandt
ikhoujeaan
ikhoujeeraan
vuurvlamkommmmmetmmmij
wesstoppennnnmmoooinoooitwij
ennnalssss
dannnnn
innnnn
asss
hardop reciteren
-
kommm
kommmmovermemond
drukmijnlongenzwartnaarbuiten
kommmvormgegevendoorhetvuurbrandt
ikhoujeaan
ikhoujeeraan
vuurvlamkommmmmetmmmij
wesstoppennnnmmoooinoooitwij
ennnalssss
dannnnn
innnnn
asss
In Den Bosch stapte ik over op de trein richting Haarlem.
Ik had herinnerrigen aan mijn tante uit Roosendaal meegenomen waaronder het kleine griekse gitaartje, die onhandig aan mijn arm bungelde terwijl ik de trein in stapte. Een verwaaide grijsaard stapte gelijktijdig in en vroeg of ik wist waar de rookcoupé was.
“ik ben op een receptie geweest, weet u, ben geen grote roker maar moet nu echt even een sigaretje heisen en wil een rookcoupé!”
Zijn adem geurde krachtig naar bier. Waarschijnlijk van die receptie.
Ik antwoordde de man dat hij me kon volgen, en terwijl we ons onhandig tussen de medereizigers doormanouvreerden naar de rookcoupé, ging mijn telefoon. Ik voerde een kort gesprek met de andere kant van de lijn en de man, die dronken van zijn receptie achter mij aan zwalkte, voerde ondertussen en luidkeels een gesprek met mij. Ik weet niet meer waarover.
Toen we de rookcoupé eindelijk bereikten namen we plaats en hing ik op. Ik had gezegd bij een betere gelegenheid terug te bellen. Inmiddels had de receptie-man een gesprek met twee zeer donkere Roemenen aangeknoopt. Ze verstonden hem niet. Op luide toon verkondigde hij zijn medepassagiers uit het raam te gaan springen, uit de trein of uit het leven te willen willen stappen. Ik zei hem dat het de bedoeling was in de trein te blijven zitten. Blijkbaar was hij door de drank zo week geworden dat mijn ook woorden invloed op hem hadden. Hij bleef, stond af en toe op alsof hij iets wilde gaan doen en ging dan weer zitten. Meisjes van een jaar of twintig, giechelden en gingen hun vriendjes bellen. Tegenover zat een Iraanse moeder met haar zoon ingeklemd tussen grote bollende boodschappentassen. Ik glimlachte naar hen. Soms kruist het lot in al haar snelheid onderlinge levenspaden. Iets verderop zat, in het niet rokers gedeelte, een jongen shag te roken. Zachtjes irriteerde ik mij aan hem en pake uit een van mijn tassen een van de sigaretten die ik uit het huis van mijn tante had meegenomen. Ik kon geen aansteker vinden en begon ook de andere tassen, duidelijk zichtbaar, te doorzoeken. De jongen met shag in het rookvrije gedeelte zag dat, hield zijn aansteker in de lucht en gooide die, met een grote boog, dwars door het treinstel, over de hoofden van de mede-reizigers, naar mij. Ik ving het ding, stak mijn peuk aan en gooide de aansteker met eenzelfde boog terug naar de eigenaar. Ondertussen stak ik, bij wijze van dank-je-wel, mijn duim in de lucht. De jongen met shag ving de aansteker, waarna hij bij wijze van graag-gedaan, ook zijn duim naar mij op stak. Toen ik in Amsterdam uitstapte had ik zin om bier en vruchtensap te kopen. De supermarkt bleek echter dicht. De stationshal was gevuld met een oorverdovend kabaal. Een bouwvakker stond helemaal in zijn eentje, midden in de hal, met een sigaar in zijn mondhoek, met een enorme cirkelzaak in de vloer te snijden. Buiten vond ik mijn fiets terug.
twee vrouwen lachen plotseling even luid
om de verschrompelde rimpelige huid
van de appel in het plastic zakje
die door één van hen uit de zwarte canvas tas tevoorschijn wordt gehaald
de andere vrouw ordent haar haar terwijl de wind er mild mee speelt
de eerste staart ondertussen weer dromend over ‘t plein en likt resten slagroom van haar vorkje
een korst van de appelentaart wordt nauwgezet uitéén gepulkt en traagjes ontleedt terwijl af en toe een kruimel in haar mond achter paars beschilderde lippen verdwijnt
hun huid is nog strak
en nog steeds lachen de vrouwen luid
trekken theezakjes
ordenen hun handtassen en krullen zich barrevoets inéén
op de plastic-rieten-stoelen
elders
spreekt men
over letterenkunde
en
aan tafel 5 praten vier vrienden muzikanten over hun cd luidkeels
een autobus
rijdt langzaam voorbij met open deuren waaruit het dreunend geluid
van een lawaai-machien
stamt
de appelentaart is nu op
het luidkeels lachen eveneens
ouders met drie kinderen
waarvan de oudste hun éigen en de andere twee ge-adopteerd of uitbesteede oppaskinderen zijn
eten ijsjes zoet
ze eten en likken
ze schreeuwen
ze snoepen en genieten
oh zon
oh hoog heet wonder
aan dit firmament zo blauw
de twee oudste kinderen
waarvan de één de ander niet is
hebben hun ijsjes op
de ouders ook
de twee oudste kinderen mogen nu op het pleintje
krijgertje spelen
vader rookt ’n sigaartje
moeder steekt met zijn vuur haar peuk nu aan
de ouders inhaleren diep en
paffen breed
hun hoofden hullen ze in blauwe rook
voor een moment
en
het kleinste kind kan het aardbijen ijsje niet meer zo goed op
het bleek toch groter dan verwacht
het kleinste kind lijkt best alleen
moeder wil het kleintje helpen
neemt wat happen uit het ijs
er lekt wat rook uit haar mondhoeken
de damp zakt traag
uit de gaten van haar neus
zo het hoorntje in
langzaam lekt de nicotine uit mamma’s mond
langzaam het sompig sponzige wafeltjeshoorntje in
trekt naar binnen
diep naar binnen
als het gif
de gift van materie
mamma geeft het laatste restje ijs terug
aan het kleintje
dat kan ze zelf wel op
twee vrouwen lachen luid
als ik beter kijk
zie ik draken drinken