We gebruiken tijd vooral als aanduiding, om ook dingen te kunnen indelen, handig en overzichtelijk voor ons, in toen, later en nu.
We kaderen iets af, iets wezenijks iets essentieels, we creëren voor onszelf een bepaald contrast tussen toendertijd en vandaag de dag, opdat iets uit vervlogen dagen een vaste, onbewegelijke plaats in de tijd krijgt, zodat we ernaar kunnen kijken als naar een steen of standbeeld. Zodat we niet hoeven te vrezen dat ons iets van achter kan treffen, ineens plotsklaps. Zodat we op nu, maar nog liever op morgen gefocussed kunnen zijn.
Maar houden éénmaal begonnen dingen, werkelijk op?
Als iemand is gestorven, dan is het sterven inderdaad opgehouden maar dat diegene gestorven is, dat blijft altijd doorwerken. Strekken de consequenties van een ver verleden zich niet gewoon tot ver, heel ver in de toekomst uit, verder dan een mens kan overzien?